Streven naar ruimtelijke verscheidenheid
Het bevorderen van de bijenstand vraagt een zekere terughoudendheid bij het onderhoud en beheer. Alle beheerhandelingen werken verstorend op een deel van de natuur, inclusief de tuin. Een beheervorm die voor de ene soort goed is, kan voor de andere soort slecht uitpakken.
Het gaat om veranderingen, die op kunnen treden in het voedselaanbod, de mogelijkheid tot voortplanting, het bieden van schuilplaatsen, migratiemogelijkheden, veranderingen in het microklimaat en de mogelijkheid tot oriëntatie. Op een klein oppervlak kunnen wel een paar honderd soorten insecten en tientallen soorten spinnen voorkomen, die allemaal hun eigen plek (niche) in de vegetatie hebben. Het beïnvloeden van de ontwikkeling van of een wijziging in de structuur van de vegetatie heeft altijd gevolgen voor diersoorten.
Ook minder door het publiek gewenste planten moeten in stand worden gehouden. De rupsen van een vlindersoort leven meestal van andere plantensoorten dan de vlinders. Voor rupsen zijn niet de bloemen van belang, maar juist andere delen van de plant, gewoonlijk het blad. De rupsen van de dagpauwoog leven van brandnetelbladeren en de rupsen van het zandoogje van grassen. Honderden andere, vaak minder opvallende insecten leven van de bladeren, de stengels of de wortels van allerlei planten.
Voor wilde bijen betekend ruimtelijke verscheidenheid vaak variatie in nestgelegenheid en vaak ook voedsel aanbod.
Voor wilde bijen ruimtelijke verscheidenheid gevormd door grazige, ruige en houtige vegetaties. Andere componenten zijn: bloemrijke zomen, klimplanten en doodhout, wortelkluiten van bomen etc.
 
Ontwerp bijen vriendelijke beplantingen
Het ontwerpen van houtige beplantingen op ecologische grondslag is een gecompliceerde opgave. Het gaat om ruimte, maatvorming en structuur van de vegetatie.
Voor bestuivende insecten kunnen alle aspecten van het ontwerp belangrijk zijn. Het gaat hier niet alleen om de boom-, struik- en kruidlaag, maar ook om zoomvegetaties, inhammen en lichtinval.
Bij gesloten begroeiingen of begroeiingen met te weinig lichtinval wordt de bloei altijd beperkt. Als de beplanting te smal is, leidt dit tot meer snoeien. Beplantingen hebben jaren, zo niet decennia, nodig om de functies te krijgen die ze zijn toebedacht.
Nectar en stuifmeel producerende struiken enm bomen kunnen na 3 tot 10 jaar na aanplant al functioneren. Afhankelijk van het beheer wordt de structuur complexer en kan het aantal kruidachtige soorten toenemen.
In het ontwerp moet voor alle aspecten een bewuste keuze worden gemaakt. In de aanlegfase kunnen open beplantingen worden ingezaaid met bijenplanten zoals phacelia, herik, klaproos en zwarte mosterd. Na  7 tot 10 jaar kunnen er bossoorten worden geïntroduceerd.
 
Afstemming op de bodemeigenschappen en lichtcondities
Veel planten kunnen nog redelijk groeien op een, ecologische gezien, te droge bodem. Maar dat gaat vaak gepaard met het stoppen of een sterke vermindering van de nectarafscheiding.
Een paarsbloeiende heide op een te droge bodem levert aanzienlijk minder nectar dan een heide op vochtige bodem. Een voorbeeld van dit verschijnsel bij siergewassen is Astilbe. Deze plant groeit en bloeit nog goed in een vochthoudende bodem die ogenschijnlijk droog kan zijn, maar in deze situatie zullen er geen bijen op vliegen. Als deze plant in goed vochtige, maar niet natte bodem groeit, kan hij bij een redelijke luchtvochtigheid veel bijen aantrekken.
Veel planten kunnen nog redelijk goed in de schaduw groeien, maar dat gaat vaak gepaard met een afname van de bloei. Als planten voor bloembezoekende insecten worden uitgeplant moet er kritisch op de milieufactoren worden gelet. Een mooi bloeiende plant is niet altijd een goed functionerende plant.
Ook de wind speelt een rol in de beschikbaarheid van nectar voor bijen. Sommige bomen leveren in kust gebieden weinig of geen nectar door te veel wind. Zo functioneer Robinia in winderige steken minder dan op beschutte plaatsen in het binnenland.
 
Maatvoering beplantingen
Een goede maatvoering, gecombineerd met een weloverwogen soortensamenstelling kan leiden tot een milieu dat zeer geschikt is voor bloembezoekende insecten. Dit moet worden gekoppeld aan richtlijnen voor het (ontwikkelings)beheer. De ontwerper kan hiermee een substantiële bijdrage leveren aan de biodiversiteit in houtige begroeiingen en de daarmee samenhangende ecologische kwaliteit van het stedelijk ecosysteem
Een houtige begroeiing (bosplantsoen) die zowel floristisch als faunistisch van betekenis is, kan men herkennen aan de gevarieerde horizontale en verticale vegetatiestructuur. Voor een goede structuur is de maatvoering van groot belang.
Op plekken waar de begroeiing te weinig ruimte heeft, wordt de begroeiing meestal één of twee maal per jaar machinaal geschoren. Doordat dan ook het bloeihout wordt weggesnoeid, krijgen de planten dan niet of nauwelijks de kans om tot bloei te komen. Belangrijke stuifmeel- en nectarbronnen kunnen hiermee verloren gaan en daarmee ook de esthetische functie waarvoor juist veel houtige begroeiingen bedoeld zijn. Ruimte voor kruidachtige soorten is in deze situaties niet of nauwelijks aanwezig en binnen de begroeiing zelf is het meestal te donker voor de bloei van vrijwel alle plantensoorten.
Vooral in de jaren 70 van de vorige eeuw vormde ruimte voor robuuste beplantingen geen probleem. Tegenwoordig ligt dat anders. Men zal dus slim moeten plannen om plekken te creëren voor robuuste ecologische functies.
 
Toepassing bijen- en vlinderplanten in tuinen
Met de plantensoorten die in de plantendatabase worden genoemd zijn alle mogelijk typen tuinen en ander groen te ontwerpen. Voor vrijwel ieder milieu, voor iedere situatie en voor iedere doelgroep zijn plantensoorten beschikbaar die bijen en andere bloembezoekende insecten aantrekken.
In alle categorieën bloemplanten komen veel soorten voor die door bijen en vlinders worden bezocht, zoals eenjarigen, tweejarigen, vaste planten, bollen, bomen, struiken en klim- en gevelplanten, kuip- en potplanten; zelfs ook bij water- en moerasplanten. Er is voor vrijwel alle milieuomstandigheden en situaties voldoende keus.
 
Soortechtheid en inheems plantmateriaal
Enkelbloemige en niet te sterk doorgekweekte soorten doen het in de regel beter dan dubbelbloemige soorten, die vaak door bijen worden gemeden. Vooral als het bij inzaaien om ecologische doelstellingen gaat, moet het zaad worden afgenomen bij gespecialiseerde zaadteeltbedrijven. Daarvoor dan het beste contact worden opgenomen met de Stichting Oase, Vlinderstichting of Wilde Weelde.
Bij landschappelijke beplantingen zou zo veel mogelijk gebruik moeten worden gemaakt van autochtoon (inheems) plantmateriaal. Dit plantmateriaal is gekweekt van zaden en stekken van bomen en struiken die aantoonbaar al eeuwen lang in de streek voorkomen. Zulk materiaal biedt bepaalde ecologische voordelen. Het is onder meer beter aangepast aan het klimaat en past beter in de levensgemeenschap van het landschap.
Of bijen daar voordeel van hebben is niet bekend.
 
Checklist ontwerp bijenvriendelijke beplantingen
- Zijn de bodemeigenschappen/groeiplaatsfactoren voldoende bekend?
- Wijkt de keuze van het sortiment niet te veel af van de potentieel natuurlijke vegetatie?
- Is er voldoende rekening gehouden met stuifmeel- en nectarproducerende (dracht)planten?
- Is er voldoende rekening gehouden met gebruik van autochtoon plantmateriaal?
- Is er voldoende rekening gehouden met ruimtelijke verscheidenheid en structuur op termijn?
- Is er voldoende aandacht besteed aan de spreiding van de bloeiperiode?
- Is er voldoende rekening gehouden met de maatvoering?
- Is er voldoende overleg geweest met personen of instanties die verantwoordelijk zijn voor het beheer?
 
Aandachtpunten voor het ontwerp
Ruimtelijke verscheidenheid Toepassen van drachtplanten
Ontwerp bijenvriendelijke beplantingen Soortechtheid en autochtoon plantmateriaal
Afstemming milieu Checklist bijenvriendelijk ontwerp beplantingen
Maatvoering beplantingen