Effecten van vegetatiebeheer voor de fauna

Ingrijpen in de vegetatie heeft altijd gevolgen voor de fauna. Voor honderden ongewervelde dieren, zoals kevers, wantsen, pissebedden, springstaarten, sprinkhanen en spinnen is twee maal per jaar maaien desastreus (Ellis et al., 1989; Koster, 1988d). Het gaat om veranderingen, die op kunnen treden onder meer in:
- het voedselaanbod: bepaalde delen van planten verdwijnen zoals bladen, bloemen, zaden; ook de floristische samenstelling van de vegetatie kan veranderen en dat heeft weer invloed op dieren die van bepaalde planten afhankelijk zijn.
- veranderingen in het microklimaat: zowel op grote als op kleine schaal kan de invloed daarvan fataal zijn. Voor insecten en spinnen kan bijvoorbeeld een verandering in de luchtvochtigheid grote gevolgen hebben. Vlinders en bijen foerageren vaak in inhammen van beplantingen.
- nestelgelegenheid; veel insecten waaronder wilde bijen, maken hun nest in afgestorven holle stengels van kruidachtige planten, bramen en andere houtige holle stengels.
- Schuilplaatsen: allerlei vegetatiestructuren zoals afgestorven stengels, graspollen, hoog gras worden door veel kleine dieren ook als overwinteringsplaats en schuilplaats gebruikt.
- migratie- en oriëntatie: planten kunnen als oriëntatie dienen, maar ook als dekking; mieren en spinnen bijvoorbeeld klimmen vaak zo hoog mogelijk in planten stengels om zich met de thermiek te laken mee voeren aan andere oorden zonder deze stengels komen ze vaak niet van de grond. .
Voor bijen zijn vooral de nectar en stuifmeel leverende planten holle stengels om te nestelen van levensbelang,
 
Wijziging in de structuur van de vegetatie heeft dus altijd gevolgen
Het beïnvloeden van de ontwikkeling of een wijziging in de structuur van de vegetatie heeft dus altijd gevolgen. Of dat positief of negatief is hangt af de diersoorten of diergroepen. We moeten dus bij vegetatiebeheer steeds zoveel mogelijk rekening houden met de fauna. In het ene geval met de wilde bijen in het andere geval met andere insecten of spinnen. Maar bij een gedifferentieerd beheer, waarin verschillende vegetatiestructuren naast elkaar voorkomen wordt er al rekening gehouden met veel soorten kleine en grotere dieren. Als deze vegetatiestructuren ook nog eens gefaseerd worden beheerd, worden nadelige gevolgen voor het beheer al sterk gebufferd.
Vaak is het zo als men iets voor de ene diergroep doet dat andere diergroepen daar ook van profiteren. Zo zijn alle bloembezoekende insecten gebaat bij het bijenbeheer. Maar vaak hebben deze insecten weer andere levensbehoeften. Dagvlinders zijn daar een voorbeeld van. Voor hun energie voorziening vliegen ze vrijwel op dezelfde planten als bijen, maar voor kun ontwikkeling zijn ze meestal op totaal van andere plantensoorten afhankelijk. Dat zijn meestal geen drachtplanten.
 
Bijenbeheer is insectenbeheer
Als voedselvoorziening zijn bijenplanten of drachtplanten alleen van betekenis als ze volledig tot bloei kunnen komen.
Tussen de ontkieming van zaad en bloei zit nog een lang traject van groei en ontwikkeling: wortels, stengels, bladen en bloemknoppen. Uiteindelijk volgt de bloei en na de bestuiving en bevruchting de zaadvorming. Van al deze structuren en onderdelen van een plant leven weer allerlei soorten insecten.
Wortelstokvreters Stengelvreters
Galvormers Bladmineerders
Bladwespen Kevers
Rupsen van allerlei soorten dag en nachtvlinders
 
Kortom te veel om op te noemen.
Als je rekening houdt met de bijen, houd je ook rekening met duizenden andere insecten.
Je zou dan kunnen stellen: bijenbeheer is insectenbeheer.
 
Tekening: © Martin Hermy
 
Holle afgestorven stelgels zijn niet alleen maar goed voor wilde bijen die bovengronds nestelen, maar ook als nestplaats, schuilplaats en overwinteringsplaats voor vele andere insecten en andere ongewervelde dieren.
 
 
Rupsen van dagpauwoog - Honderden planten die voor bijen niet of nauwelijks van betekenis zijn groeien met bijenplanten samen. Deze planten en de daarmee verbonden insecten profiteren van bijenvriendelijk beheer.