habitatvariatie en gedifferentieerd beheer Naar de foto,s
Gefdifferentieerd beheer in Deventer- In Deventer werd in ieder geval tussen 1990 en 2000 gedifferentieerd gemaaid. Op deze plek een keer per jaar een stukje verder op twee keer.(Deventer 1996)
 
Variatie in het milieu/vegetatie bevordert de faunistische diversiteit (habitatvariatie)
In een gevarieerd abiotisch milieu ontwikkelt zich een afwisselende begroeiing en een daarmee samenhangende gevarieerde fauna. De aanwezigheid van bodemgradiënten als vochtigheid, voedselrijkdom en zuurgraad zijn van belang. Voor de aanleg van gradiëntrijke milieus kan men het beste Londo (1997) raadplegen. Op iedere grondsoort en in iedere situatie is een bepaalde mate van variatie mogelijk. Voor het groenbeheer houdt dat in dat er verschillende ontwikkelingsstadia van vegetaties in een evenwichtige onderlinge samenhang en in een goede verhouding aanwezig moeten zijn.
Bij de variatie in de begroeiing spelen twee aspecten een belangrijke rol: de diversiteit van de flora en de structuur van de vegetatie. De diversiteit van de flora is vooral van belang voor insecten en sommige zaadetende vogelsoorten. De variatie van de vegetatiestructuur is voor de fauna in het algemeen van belang.
Hoe complexer de horizontale en verticale vegetatiestructuur in termen van openheid, gelaagdheid en bedekkingsgraad is, des te rijker is de faunistische diversiteit. Dit geldt in ieder geval voor het stedelijke gebied. Het betekent voor de fauna dat er nest - en schuilgelegenheid is en plaatsen om te overwinteren of zich te voeden. Veel dieren kunnen hier zelfs hun hele levenscyclus voltooien.
Door maaien, kappen en vele andere beheermaatregelen verandert het totale microklimaat, verdwijnen voedselbronnen, schuil - en nestgelegenheid. Om dit te ondervangen dienen beheermaatregelen zoveel mogelijk gefaseerd te worden uitgevoerd. Vegetatie - of groenbeheer kunnen anders zeer ingrijpende gevolgen voor de fauna hebben. Dat betekent echter niet dat er overal een lappendeken van allerlei milieutypen moet komen. Zo leven grutto's in open grazige landschappen, terwijl veel vlinders een voorkeur hebben voor fijnkorrelige landschappen met sterke hoogteverschillen in de vegetatiestructuur.
 
Variatie in de vegetatie is te bevorderen door gefaseerd en gedifferentieerd beheer
Grazige vegetaties die als hooiland worden beheerd, worden meestal twee maal per jaar gemaaid, met uitzondering van die op de voedselarme bodems. Na de eerste maaibeurt duurt het minstens enige weken voordat er weer bloeiende planten in de vegetatie aanwezig zijn. De ervaring leert dat vegetaties die twee maal per jaar integraal worden gemaaid, na de eerste maaibeurt niet of nauwelijks door bijen worden bezocht en ook voor veel andere insecten niet meer van betekenis zijn. Door integraal maaien verdwijnt het voedselaanbod en verandert de structuur en het microklimaat voor veel dieren zodanig dat ze niet kunnen overleven. Als dat incidenteel het geval is (brand, overstroming), hertstelt zich dat weer. Maar als dit in het totale landschap jaar in  jaar uit gebeurt, is dat voor kleine faunistische elementen (insecten, spinnen, slakken) een ecologische ramp. Er is ook geen sprake van herstel, als de planten later weer in bloei staan. De synchronisatie tussen de planten met de bloembezoekende insecten is dan verbroken. Dit principe geldt eigenlijk ook voor alle andere integrale beheermaatregelen van alle beheertypen.
Een voorbeeld van synchronisatie is de slobkousbij die in de Nederlandse situatie helemaal op grote wederik is aangewezen. De bijen verschijnen ongeveer in dezelfde tijd, waarin de plant gaat bloeien. Als deze plant vóór of tijdens de foerageerperiode wordt gemaaid, kunnen de bijen nog wel nectar verzamelen maar niet het stuifmeel (en bij grote wederik ook plantaardige olie) dat voor het voorbrengen van het nageslacht noodzakelijk is. De kans is dan groot dat de slobkousbij het volgende seizoen is verdwenen. Dit geldt niet voor situaties waarin gemaaide vegetaties in de directe omgeving liggen van andere bloemrijke begroeiingen, die na de bloei worden gemaaid. Een ander voorbeeld is, dat zijdebijen niet of nauwelijks aanwezig zijn op plaatsen waar boerenwormkruid systematisch twee maal per jaar wordt gemaaid.
 
Maaihoogte
Zoals al eerder aangegeven kan een hoge afstelling (8-10 cm)van de messenbalk fragmenten van schraalgraslandvegetaties, die geregeld verspreid in hoog grasland voorkomen enigszins sparen. Dat is onder meer het geval bij muizenoortje. Deze methode kan ook worden ingezet om lage blijvende drachtplanten enigszins te sparen, maar het effect hier van zal vooral op voedselrijke bodems zeer beperkt zijn.
Gefaseerd en gedifferentieerd beheer kunnen invloed van eenvormigheid in belangrijke mate temperen.
 
Gefaseerd beheer
Gefaseerd beheer wil zeggen dat het beheer niet in een keer wordt uitgevoerd, maar dat het over verschillende jaren of seizoenen wordt verdeeld; bijv. jaarlijks een derde tot een vijfde gedeelte. Hetzelfde beheer wordt dan gefaseerd uitgevoerd en is bedoeld om verschillende leeftijdscategorieën van een vegetatiestructuur te handhaven. Van een ruigte wordt bijvoorbeeld jaarlijks een derde gedeelte gemaaid. De ruigte zal hierbij niet tot bos overgaan. Hierbij moet worden opgemerkt dat gefaseerd beheer grotendeels betrekking heeft op grazige vegetaties die twee maal per groeiseizoen worden gemaaid. Dit is gewoonlijk het geval op voedselrijke bodems. Doorgaans levert twee keer per jaar maaien de grootste floristische diversiteit op. Bij een keer per jaren maaien loopt dat terug. De drachtplanten verminderen terwijl de grassen toenemen. Voor honingbijen is dat minder gunstig, maar daar staat weer tegenover dat de totale bloeiperiode wordt verlengt. Doordat er op den duur een iets ander vegetatietypen ontstaat, is hier eerder sprake van gedifferentieerd dan van gefaseerd beheer.
 
Gedifferentieerd beheer
Bij een gedifferentieerd beheer worden er verschillende beheermethoden naast elkaar toegepast. Deze methode is bedoeld om verschillende vegetatiestructuren naast elkaar te handhaven of te bevorderen. Een gedeelte van de vegetatie wordt dan als gras of ruigte beheerd, terwijl een ander gedeelte zich tot bos of struweel mag ontwikkelen. Vooral voor de fauna kan dit van belang zijn. Voor hommels en andere wilde bijen leidt die meestal tot een variatie in nestgelegenheid en voedselplanten terwijl honingbijen en vlinders hier ook kunnen foerageren. Op plaatsen waar meer ruimte is zouden aan de zonnige kant inhammen in de beplantingen kunnen worden gemaakt. Hierdoor ontstaan warme, luwe plaatsen die de aanwezigheid van zowel bijen als dagvlinders bevorderen.
Voor kleine tuinen en andere kleine oppervlakten gefaseerd en gedifferentieerd beheer vaak niet goed mogelijk, maar enige rust in een kleine tuin met hier en daar een rommelhoekje doet soms wonderen. Hoe kleinschaliger het beheer is des te groter is vaak het ecologische rendement. Grootschalig beheer waarbij als maar zwaarder beheermaterieel wordt gebruikt leidt meestal tot ecologische verarming.
 
Oppervlak gefaseerd beheer
Om het verbreken van de synchronisatie (voedsel, migratie etc. ) te voorkomen zou minimaal 10 tot 30% van de vegetatie niet eerder gemaaid mogen worden dan in het najaar. Als dit jaarlijks gebeurt, zal dat vooral op voedselrijkere bodems de floristische samenstelling van de vegetatie kunnen veranderen. De reeds aanwezige plantensoorten kunnen zich in de eerste jaren zonder uitstel van de bloei ontwikkelen. Op een grasveld van 10 - 30 m breed levert dat een ongemaaide baan op van minimaal 1,0 - 3,0 m breed of een oppervlakte van een paar 100 m 2. Maar eigenlijk is het zeer lastig om over maten op percentages te spreke.
Het percentage overstaande of ongemaaide gedeelte hangt van allerlei factoren af zoals het functie, gebruik en de grootte en de vorm van het terrein. Het ongemaaide of overstaande gedeelte kan variëren van 5 tot 30% van de vegetatie. Ook de landschappelijke situatie kan van doorslaggevende betekenis zijn. Op toplocaties in een kleinschalig binnen- buitenstedelijk landschap is het zinvol bij toerbeurt 30% van de vegetatie maaien, terwijl in grote recreatieterreinen of in grootschalige landschappelijke situaties 2-5% al ruimschoots voldoende kan zijn.
Het gaat ook om de verhouding nestgelegenheid en oppervlakte drachtplanten. Bijvoorbeeld als er ergens in het cultuurlandschap maar een kleine locatie is waar wilde bijen kunnen nestelen heeft het uit oogpunt van deze bijen weinig zin om 10% van de vegetatie gefaseerd te beheren. Dan komt men eerder op 1-5 % uit. Maar er kunnen natuurlijk meerder doelstellingen zijn die een hoger percentage rechtvaardigen zoals agrarisch beheer voor vogels.
Of er bij voorbeeld één maal in de drie jaar gemaaid kan worden, hang ook weer af van de ontwikkeling van de vegetatie. Door één maal per jaar of drie jaar te maaien kunnen grassen kunnen te dominant worden of kan vervilting optreden waardoor belangrijke drachtplanten uit de vegetatie kunnen verdwijnen. In de ene situatie kan het heel goed gaan, in en andere situatie kan een deel van essentiële drachtplanten uit de vegetatie verdwijnen, voor de wilde bijen kan dat een negatief effect hebben. Bij een gefaseerd en/of gedifferentieerd beheer moet men dus steeds de vinger goed aan de pols houden.
 
Waar toe te passen
Zoals eerder gezegd moeten nest gelegenheid en drachtplanten in de voortplantingsperiode binnen de actieradius van de bijen liggen.
Het ongemaaide gedeelde moet zoveel mogelijk gekoppeld worden aan aanwezige of potentiële nestgelegenheid voor wilde bijen. Open grond of open vegetaties, landschappelijke beplantingen zoals heggen, geriefhoutbosjes, bosranden, taluds met open vegetaties, oude stenen of houten bouwwerken (muren, schuren). Het heeft weinig zin om zo maar ergens gefaseerd beheer toe te passen. In het cultuur landschap is dat wel van groot belang voor honingbijen en vaak ook nog voor hommels, maar voor wilde bijen is het effect vaak minimaal.
 
Algemene regel voor gedifferentieerd beheer
Een keuze voor gedifferentieerd beheer betekent niets anders dan een keuze voor een andere vegetatiestructuur of successiestadium. In plaats van gras wil men ruigte, struweel of bos of andersom gras in plaats van bos. De vraag is dan direct wat is het doel van gedifferentieerd beheer. Is dat vegetatiekundig, faunistisch of landschappelijk. Dat houdt automatisch in dat er argumenten moeten zijn om op een bepaalde plek gedifferentieerd beheer uit te voeren. Als het om de vegetatie gaat, zijn dat vaak de bodemeigenschappen, als het om de fauna gaat, moet het gerelateerd zijn aan bepaalde fauna elementen waar beleidsmatig is voor gekozen. Een landschappelijke keuze komt meestal voort uit een landschapsarchitectonische analyse. Als er geen duidelijke en bewust gekozen argumenten liggen voor een bepaalde vegetatiestructuur is het beter om gedifferentieerd beheer een of twee jaar uit te stellen. Dat geldt niet voor structuren die voor de hand liggen. Een zoom voor een gesloten houtige begroeiing is vrijwel altijd gunstig, dat geldt meestal ook voor ruigte langs oevers en waterkanten (in ieder geval faunistisch gezien). Zodra het om grote oppervlakte gaat of om lange trajecten moet er eerste worden geanalyseerd. Vooral in nieuw aangelegde grootschalige landschapselementen moet men niet zonder duidelijke argumenten zo maar ergens groot schalig gedifferentieerd beheer gaan toepassen.
 
Gedifferentieerd beheer voor gebruik
Ecologisch groenbeheer moet vaak gecombineerd worden met recreatief gebruik. Omdat te realiseren worden er geregeld paden door de bloemrijke vegetatie gemaaid. Dat is maaien voor de toegankelijkheid van het terrein. Zie voorbeelden
 
In het Holypark van Vlaardingen wordt al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw een gedifferentieerd beheer gevoerd om bloemrijke zomen te krijgen.
 
Een zeer brede berm in Soest is ingericht als wandelstrook. De vegetatie werd hier aan beide kanten een keer per jaar gemaaid. Andere aangrenzende vegetaties een- op twee keer per jaar. (Soest 1996)
 
In Deventer werd (en word?) op de meeste grazige plaatsen een hooilandbeheer gevoerd. Om sommige delen van parken toegankelijk te houden werd er een baan door de vegetatie gemaaid. (Deventer 1997)
 
Ook de gemeente Apeldoorn is al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw bezig met ecologisch groenbeheer. Hier een vijvertalud dat een keer per jaar worden gemaaid. Op andere plekken in de omgeving wordt meer gemaaid. Ook hier speelt de toegankelijkheid een rol. Vandaar het smalle uitgemaaide pad langs de vijverrand (Apeldoorn 1992)
 
Hier is aan de rand van een woonwijk een rand met natte ruigte ontwikkeld een breed en bijna wekelijks gemaaid pad zorgt voor de toegankelijkheid (Hardenberg 2010)