Beheer van wilde bijen in kruidachtige vegetaties
Begrazing en wilde bijen Voorbeelden begrazing.
Bosbegrazing -- In Europa kwam bosbegrazing als agrarische bedrijfsvoering vroeger veel voor. In het buitenland is dat hier en daar nog zo. Grote grazers houden dan het bos open. De vraag hierbij is welke ruimte er overblijft of ontstaat voor drachtplanten (Aland-Eilanden 2002)
 
Voor wilde bijen zijn twee samenhangende componenten van levensbelang: voedsel in de vorm van nectar en stuifmeel en nestgelegenheid voor de voortplanting. Beide componenten moeten op hetzelfde moment binnen vliegafstand van de bijen voorkomen. Als dat niet het geval is er geen bestaansmogelijkheid voor wilde bijen.
De vliegafstand varieert per soort bij of per groep bijen. Hommels kunnen net als honing bijen grote afstanden afleggen die kunnen oplopen tot een paar kilometer. Veel grote solitaire wilde bijen kunnen honderden meters afleggen. Veel kleine bijen hebben meestal een actieradius van enkele tientallen meters. Beheerplannen of -bestekken voor wilde bijen moeten dus altijd rekening houden met de vliegafstand.
 
Voedselbronnen of drachtplanten
Nectar en stuifmeel producerende planten zijn de primaire voedselbronnen voor bijen. Stuifmeel leveren de eiwitten die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van bijen van ei tot volwassen bij (imago). Nectar bevat koolhydraten (suikers) voor de energievoorziening. Zowel voor de larven als voor de volwassen bijen.
Naar bloembezoek worden bijen in tweegroepen ingedeeld:
- polylectische bijen: deze bijen foerageren op breed spectrum van planten. Hiertoe behoren de meeste soorten bijen.
- oligolectische of gespecialiseerde bijen die een zeer beperkt aantal plantensoorten bezoeken. Vaak slechts enkele soorten.
Oligolectische of gespecialiseerde bijen
Deze bijen foerageren op één of enkele soorten van een plantengeslacht of plantenfamilie. Zonder deze planten kunnen deze bijen zich niet voortplanten. De bijen zijn vooral afhankelijk van het stuifmeel van deze planten, de meeste planten leveren ook nectar, maar los daarvan verzamelen de meeste bijen ook nectar van andere planten. Sommige oligolectische bijen vliegen op tientallen soorten en zelfs geslachten van een familie, bijvoorbeeld de pluimvoetbij op composieten.  De oligolectische bijen omvatten ruim 20 % van de Nederlandse wilde bijen
 
Continuïteit van voedselbronnen
Voedselbronnen moeten tijdens de vlieg- en voortplantingsperiode continu aanwezig zijn. Voor sommige bijen betekent dat gedurende een periode van een aantal weken maar voor de meeste bijen een paar maanden. Voor hommels is dit zelfs het hele groeiseizoen nodig, zeker van begin maart tot eind september. Een periode van een week of een paar weken zonder bloemen betekent vaak het einde van de hommels. Dit zien we vooral in het agrarische cultuurlandschap. In een zee van paardenbloemen kunnen de hommels ontbreken. Dat ziet er dan vreemd uit. Het gaat er niet om dat er op een bepaald moment heel veel bloemen zijn, maar dat er een continu voedselaanbod is van liefst verschillende soorten. In het cultuurlandschap is dat heel vaak niet het geval.
Het spreekt voor zich dat drachtplanten enkele dagen tot weken voor de bloei en vooral niet tijdens de bloei mogen worden gemaaid. Vooral voor de gespecialiseerde bijen kan maaien ruim voor de bloei al fatale gevolgen hebben. Het kan de bloei een week of meer dan een maand vertragen. De synchronisatie tussen bij en plant is dan verstoord waardoor de bijen in de meeste gevallen verdwijnen.
Dit probleem speelt meestal niet op droge schrale tot voedsel arme bodems, als de vegetatie volgens ecologische principes wordt beheerd. Deze vegetaties worden gewoonlijk na  het vliegseizoen van wilde bijen gemaaid.  Dat is van begin september tot begin oktober. Maar in september maaien kan voor hommels nog nadelig zijn.
 
Voedselrijke bodems
Een totaal andere situatie is er  op voedselrijke bodems.  Deze worden gewoonlijk twee maal per jaar gemaaid. Als dit op vegetatiekundige grondslag gebeurt, vindt de eerste maaibeurt meestal na de zaadrijping van de drachtplanten plaats: ca. half juni – half juli.  Zulke vegetaties worden meestal in hun geheel (integraal) als hooiland beheerd. Door dit beheer verdwijnen vrijwel alle nectar en stuifmeel producerende planten. Voor de meeste bijen, inclusief honingbijen, komt deze klap extra hard aan omdat  in deze periode dikwijls ook de meeste heesters en bomen waar bijen op vliegen zijn uitgebloeid.  Meestal volgt er dan een tweede bloeiperiode die, afhankelijk van het  moment van de eerste maaibeurt, bloemrijker of bloemarmer kan zijn.  Het fatale moment zit in de tussentijd.  Afhankelijk van de weersomstandigheden komt de groei van de planten een week op een paar weken stil te staan. Daarbij kan het bovendien nog een paar weken duren, voordat er sprake is van een voor bijen substantiële bloei. Maar daar profiteren dan uitsluitend de bijen van die op een andere plek konden foerageren op aangrenzende niet gemaaide vegetaties of op in de buurt alternatieve voedselbronnen, bijvoorbeeld aangrenzende tuinen, bloemrijke woonwijken of bijvoorbeeld dijkdorpen. Waar deze situatie ontbreekt, komen wilde bijen  na de eerste maaibeurt niet meer of nog nauwelijks voor.  Voor de gespecialiseerde bijen  is de eerste maaibeurt vrijwel altijd fataal.
Vanuit verschillende bronnen wordt de bodem meestal verrijkt, waardoor vergrassing of verruiging kunnen optreden. Twee maaibeurten per jaar verschraalt de bodem. Op voedselrijke bodems hebben twee maaibeurten per jaar ook positief een effect op samenstelling van de vegetatie. Door maaien en uiteraard afvoeren van maaisel worden de grassen benadeeld en de bloemplanten bevoordeeld. Dit was zeer waarschijnlijk ook al het geval in de periode dat Nederland en de landen om ons heen een veel rijkere bijenfauna hadden dan nu het geval is.
In veel gevallen moeten twee maaibeurten per jaar uitgevoerd worden. Dit  heeft bijvoorbeeld te maken met de verkeersveiligheid of de kwaliteit van de graszode bij waterweringen.  Door  de vegetatie op voedselrijke bodems één keer per jaar te maaien  kunnen door concurrentie of verrijking ook weer planten soorten verdwijnen.
In principe is er niets mis met twee keer per jaar maaien. Flora ten fauna stellen zich daar op in. Het probleem zit niet in de beheermaatregel zelf, maar in de schaal, het tijdsbestek waarin het maaien plaatsvindt en het gebruik van extreem zwaar materieel sinds het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw.
Gefaseerd, maar nog veel meer gedifferentieerd beheer kan het effect van grootschaligheid enigszins bufferen.
 
Begrazing
Op deze website staan de traditionele beheerhandelingen centraal omdat deze het meest gericht zijn op het beheer van kleinschalige landschapselementen. De grootte hiervan kan oplopen tot de schaal van kleine parken en recreatieterreinen.
Op grotere terreinen zou begrazing in veel situaties aanzienlijk beter zijn dan de nu gehanteerde vorm van beheer. Om deze vorm van beheer goed tot zijn recht te laten komen en dieren niet eenzaam te laten zijn, moet een terrein minstens enkele hectaren groot zijn om voor een jaarronde begrazing in aanmerking te komen. Voor begrazing van kleinschalige landschapselementen zijn natuurlijk oplossingen te bedenken. In Breda liepen in de jaren tachtig de schapen door de woonwijken; dat zien we nu nog steeds in Maastricht. Maar dat is lang niet altijd mogelijk en faunistisch ook niet altijd wenselijk. Grotere terreinen bieden meer mogelijkheden.
Het grote voordeel van begrazen is dat er structuurvariatie (lees habitatvariatie) ontstaat. Sommige vegetaties worden door begrazing volledig open gemaakt waarbij de grond wordt stukgetrapt. Op andere plekken wordt de vegetatie door begrazing juist verdicht. Het knabbelen van vee aan doornstruiken leidt tot een verdichte structuur die uitstekende nestgelegenheid biedt voor vogels. Er ontstaan grote graspollen, afstervende bomen, zwaar bemeste en sterk verschraalde plekken.
Vanuit faunistisch oogpunt gezien is begrazing meestal een voordeel. Voor een nat, bloemrijk hooiland, dat vele decennia onder regiem van een maaibeheer heeft gestaan, zou begrazing echter wel eens minder goede resultaten kunnen hebben. Ook op plaatsen waar men speciale waarde hecht aan bepaalde, al dan niet cultuurhistorische bomen moet men voorzichtig zijn met het inzetten van grote grazers.
Om te bepalen of begrazing ook echt voordeel heeft voor wilde bijen zijn de volgende aandachtspunten van toepassing.
- Bodemtypen: zeer vochtige tot natte bodems zijn zeer gevoelig voor begrazing. Begrazing kan voor de biodiversiteit zelfs desastreuze gevolgen hebben. Bepaalde planten en de daarmee verbonden bijen kunnen dan verdwijnen.
- Vegetatietypen: veel bloemrijke hooilanden onder meer blauwgraslanden zijn ontstaan door een hooilandbeheer dat decennia of zelfs eeuwen lang op dezelfde wijze is uitgevoerd. Hierbij gaat het niet alleen om natuur, maar ook om een cultureel aspect.
- Begrazingsdruk of intensiteit van begrazing: bij te veel grazers verdwijnen sommige of zelfs de meeste kruidachtige drachtplanten.
- Het type grazer: zware grazers zoals Schotse Hooglanders kunnen een grotere positieve of negatieve invloed hebben dan relatief kleinere grazers zoals schapen.
- Begrazingspatroon: een begrazing kan gemiddeld wel zeer extensief zijn, maar door voorkeur van de grazers plekgewijze zeer intensief. Als het laatste samenvalt met het habitats die voor wilde bijen van belang zijn, kan dat er toe leiden dat de bijen van deze plek verdwijnen.
- Periode van begrazing: een te hoge begrazingsdruk tijdens de bloeiperioden van de drachtplanten kan fatale gevolgen hebben voor wilde bijen.
 
Koeien in de uiterwaard -- Het grazen van koeien is het meest voorkomende beeld in het landschap. Koeien, vooral jongvee, worden ook voor seizoensbegrazing ingezet bij natuurbeheer. Zonder begrazing zou het hier volledig verbossen. Er komt hier in ieder geval meer ruimte voor wilde bijen.(Arnhem 1994)
 
Schapen op de dijk -- In plaats van integraal maaien, wordt de dijk hier integraal begraasd. Dat scheelt in ieder geval afvoerkosten van maaisel en er zal meer variatie ontstaan; maar een hooilandbeheer (2 keer maaien en afvoeren) zal floristisch gezien beter zijn. Als dat gefaseerd en gedifferentieerd gebeurd profiteren de bijen daar het meest van. (Nijkerk, Dijk Nijkerkernauw 1998)
 
Paarden in de natuur -- Paarden zijn goede grazers. Ze vreten gras en houtige planten. Hier is duidelijk sprake van een begrazingpatroon. Omdat het hier om rivierduinen gaat, zullen vooral de voorjaarsbijen die voornamelijk op houtige soorten vliegen en in de zandige grond nestelen talrijk voorkomen. Maar zomerbijen maken door overbegrazing op deze plek niet veel kans (Borkener Paradies 1994-2012)
 
Schotse Hooglander en graaspatroon -- Een voorbeeld van een plek die helemaal is kaal gegraasd, het gaat hier om een plek die volledig is vergrast, waardoor drachtplanten kansloos zijn geworden. Door begrazing kunnen nieuwe drachtplanten zich op deze plek gaan vestigen (Posbank 1999)
 
Schotse Hooglanders in een park -- Dit park was het eerste stadspark dat met Schotse Hooglanders werd begraasd. De grootste winst zit in de randen van de beplantingen. De grote begrazingsdruk ligt op het grasland (Zaandam, Vijfhoekpark 1994)
 
Schotse Hooglander en Jong -- Op de achtergrond is het effect van begrazing te zien. Zolang de bezoekers niet in de buurt van de kalfjes komen zijn Schotse Hooglanders zeer goedaardige dieren. (Zaandam, Vijfhoekpark 1993)
 
Ook hier is het effect op de overgang van bos naar gras goed zichtbaar, maar de diversiteit van het grasland kan hier nog sterk worden verbeterd (Vijfhoekpark, Zaandam)
 

Konijnen in de stad-- Waar gras en beplantingen bij elkaar voorkomen kunnen konijnen massaal voorkomen; op deze plek ca. 50, maar niet alle koniien zijn in beeld. (Amsterdam, Baanakkerspark 1995 ca. 18.00 uur. Volgende foto

 
Begrazing door konijnen, leidt vaak tot open plekken waar wilde bijen kunnen nestelen.