-----
Faunavriendelijk beheer van beplantingen
Overzicht structuur van beplantingen in relatie tot het voorkomen van wilde bijen
Kruidlaag: Onderbegroeiing. Alleen in het voorjaar als er voldoende licht op de bodem valt voor bloeiende planten. In hoofdzaak: Anthophora plumipes, Andrena fulva, A. nitida, A. tibialis, A. haemorrhoa en andere vroege zandbijen; vroege soorten van het geslacht Nomada; Melecta albifrons, Osmia rufa. Verder alle hommels en honingbijen. De bodem tussen de begroeiing en tussen de kruidachtige soorten biedt nestgelegenheid voor de bodembewonende bijen.
Lianen: In de onderzochte begroeiing gevormd door Heggenrank. Alleen in de zomer. Heggenrankbij (monolectisch!), andere zandbijen, groefbijen en maskerbijen.
Zomen en randen: De kruidachtige randen van houtige begroeiingen: in principe alle bijen. Het hele vliegseizoen. Zomen moeten als ruigte worden beheer.
Inhammen en open plekken:Alleen op zonnige plaatsen. In principe alle bijen. Het hele vliegseizoen.
Struik- en mantel- begroeiing: Vooral op boswilg, kruipende, geoorde en grauwe wilg: in hoofdzaak zandbijen, Colletes cunicularius, hommels en honingbijen. Op en bij Spaanse aak: zandbijen. Sleedoorn, vooral zandbijen; Ribes: in hoofdzaak zandbijen, onder meer A. fulva; braam zandbijen, groefbijen, maskerbijen en metselbijen. Afgestorven en holle ranken van braam bieden nestgelegenheid aan onder meer maskerbijen. Andere struiken worden minder druk bezocht; wel veel door hommels. Meidoorn, Wegedoorn en Sporkehout zijn eveneens voor wilde bijen van belang.
Bomen: Wilgen: in hoofdzaak zandbijen, hommels en honingbijen; Esdoorn: idem. Overige bomen in het algemeen weinig of minder wilde bijen. Nectar producerende bomen zijn wel voor hommels en honingbijen van belang
 
Schematisch voorbeeld van een bos met weinig habitatvariatie (Tinbergen 1967)
Voor wilde bijen en veel andere dieren zijn dennenbossen en beplantingen van deze eenvormige structuur van weinig betekenis. Maar het is wel het habitat voor de kleine harsbij die hier tegen de stammen zijn nest maakt. De aangrenzende vegetaties in bermen en grasland kunnen voor bijen wel van groot belang zijn. Als dat zo is kan de open grond langs het bos dienen als nestgelegenheid.
 
Schematisch voorbeeld van een bos met veel habitatvariatie (Tinbergen 1967)  
Bij een bloeiende kruidlaag in het voorjaar zijn zulke (essen-iepen- en eiken-haagbeuk- ) bossen voor wilde bijen van grote betekenis. Dit geldt nog veel meer voor de kruidachtige begroeiing aan de zonnige kanten van het bos of de daarvan afgeleide beplantingen. Ook bomen en de heesters als voldoende zonlicht ontvangen worden door wilde bijen bezocht. De bosrand en randen van oude beplantingen zijn ook van groot belang voor bovengrondse nestgelegenheid; onder meer dood hout, afgestorven holle kruidachtige stengels, takken van heesters en afgestorven holle ranken van bramen.
 
Beheer
Selectief dunnen en kappen is meestal nodig bij ecologisch beheer in bosachtige en singelachtige stedelijke beplantingen, evenals het uitmaaien en afvoeren van maaisel van de kruidachtige vegetatie. Op plaatsen waar het uitmaaien integraal in het voorjaar of vroege zomer wordt uitgevoerd, komen na het maaien geen of nog nauwelijks bijen voor. De continuïteit in de bloei van de vegetatie wordt dan te lang onderbroken. Zowel voor het publiek, als voor de bijen en andere bloem bezoekende insecten is het van belang naar bloemrijke situaties te streven, die zich ongestoord tot in het najaar kunnen ontwikkelen.
Bij allerlei vormen van hakhout wordt het hout periodiek afgezet. Bij wilgen iedere 3 - 5 jaar, bij andere beplantingen om de 7- 20 jaar. De ruige vegetatieontwikkeling die daarvan het gevolg is, laat men meestal ongemoeid. De overgang van bos - en struweelachtige beplantingen naar grasland moet geleidelijk verlopen via mantel - en zoomvegetaties. In een plantsoen moeten vooral aan de zuidkant ruige en bloemrijke inhammen aanwezig zijn. Hierdoor ontstaan luwe hoeken, die nodig zijn voor warmte minnende insecten, waaronder dagvlinders en wilde bijen. Als er sprake is van hakhout of soortgelijke begroeiingen, dient het afzetten steeds gefaseerd te worden uitgevoerd. Bij het ontwerpen van beplantingen moet er met dit aspect rekening worden gehouden.
Boom - en struikvormers, die van belang zijn voor bepaalde groepen insecten, moet het onderhoud zodanig worden gepland dat een jaarlijkse bloei is gegarandeerd. Op plaatsen waar bijvoorbeeld wilgen vóór de bloei integraal worden afgezet, verdwijnen de bijensoorten die op wilg zijn gespecialiseerd. Als te vroeg afzetten met te grote regelmaat plaatsvindt, krijgen de populaties van deze bijensoorten namelijk geen kans tot verdere ontwikkeling te komen.
 
Gefaseerd beheer beplantingen
Bij voldoende oppervlakte van een vegetatie moet naar drie leeftijdscategorieën gestreefd worden. De differentiatie van de vogel­fauna zal door dit beheerbeleid vergroot worden. Snoeihout en afgezet hout moeten op rillen worden gestapeld, die een nestgelegenheid voor vogels bieden en een goede overwinteringsplaats zijn voor de citroenvlinder en vele andere insecten. Indien men het hout wil afvoeren, moet toch een klein gedeelte blijven liggen. In grotere plantsoenen is het heel gunstig om enkele dode bomen te laten staan. Bomen met kromme stammen mogen niet worden gekapt.
Het is aan te bevelen hier en daar af en toe een boom te kappen die mag blijven liggen, net als bomen die door de wind zijn geveld. Vooral op zonnige plaatsen kan in dood hout op den duur nestgelegenheid voor wilde bijen ontstaan. Geleidelijke overgangen van bos naar gras zijn voor alle diergroepen van belang. Vooral ruige doorn - en braamstruwelen die aan de randen van beplantingen kunnen voorkomen zijn als nest - en schuilgelegenheid voor vogels van grote betekenis. Kortom: een beheer dat rekening houdt met wilde bijen is ook van betekenis voor de in stand houding van andere diergroepen.