Omschrijving beheertypen grazige begroeiingen: bermen, taluds, grasland
Aan de hand van dit overzicht kan worden vastgesteld wat het beste beheer is voorn wilde bijen.
1 bepaal de bodemeigenschappen/grondsoort
2 Kies een beheertype (een van de links)
3 Welke kenmerkende plantensoorten komen er voor?, Kunnen deze door beheer worden bevorderd?. Als deze plantensoorten vroeger wel voorkwamen en zijn verdwenen, kunnen deze dan worden geïntroduceerd.
4 Welke overige plantensoorten komen voor?
5 Welke planten zijn belangrijk voor gespecialiseerde (gemerkt met een #) en minde algemene tot zeldzame bijen.
6 Komen deze bijen ook in de naaste omgeving (bijvoorbeeld binnen een straal van 10 km) voor.
7 Wanneer vliegen deze bijen en wat betekent dat voor het tijdstip van het beheer.
8 Is er voort de betreffende bijen binnen een straal van 20 tot 300 m nestgelegenheid aanwezig. ( zie hiervoor een zeer uitgebreid overzicht: http://www.bijenhelpdesk.nl/CursusWildeBijen/Index.htm)
Vanaf ieder beheerpagina (g0-G10) is alle informatie toegankelijk
Verantwoording
G0 - Soorten van graslandvegetaties op brakke bodem
  Voorkomen -- vooral langs de kust en langs wateren die onder invloed staan van zeewater. Dit zijn onder meer de havengebieden van Amsterdam, Rotterdam, Delfzijl.
G1 -- Soorten van grasland- en biesachtige vegetaties op natte tot (zomer)vochtige, voedselarme bodems
De bodem is zuur tot /zwak zuure (soms en vooral langs de kust basische) bodem
  Voorkomen -- Vaak op natte schrale en zure bodems; buiten de natuurreservaten, in bermen, natte, maar in de zomer droogvallende greppels van wegbermen en spoorwegen, kanaalbermen vooral op lagere gedeelten
G2 -- grasland- en heidevegetaties op zandige, lemige bodems
De bodem is droog tot iets vochtige, voedselarm en zuur tot zwak zuur
  Voorkomen -- Vooral op heischrale bodems: weg-, spoor- en kanaalbermen en -taluds, zandafgravingen.
G3 -- graslandvegetaties op droge zandige bodems
Bodem overwegend droog, voedselarm tot iets voedselrijk, zwak zuur tot kalkhoudend
  Voorkomen -- Op allerlei schrale zandige plekken in het duingebied, pleistocene zandgronden, langs wegen, spoorwegen en kanalen
G4 -- graslandvegetaties op zandige, zavelige en krijt achtige bodems
De bodem overwegend (matig) droog , voedselarm tot iets voedselrijk, maar kalkhoudend
  Voorkomen -- In kalkgraslanden, in de duinen, rivierdijken en in spoor- en wegbermen, op spoorwegemplacementen en industrieterreinen in Zuid-Limburg en in het rivieren gebied.
G5 -- (verruigde) graslandvegetaties op kalkrijke löss, zavel en duinzand Bodem: zomerdroog tot vochthoudend, matig voedselrijk en kalkhoudend.
  Voorkomen -- In hoofdzaak op taluds en in bermen van hole wegen, rivierdijken, spoor- en autowegen. Op spoorwegemplacementen en op industrieterreinen.
G6 -- graslandvegetaties op zandige tot lichte lemige bodems
De bodem is droog tot vochthoudend en schraal tot matig voedselrijk.
  Voorkomen -- Op allerlei zandige bodems: bermen, dijken, industriële terreinen, zandafgravingen en natuurontwikkelingsterreinen.
G7-- graslandvegetaties op klei, kleiige en andere voedselrijke bodems
De bodem is vochtig, matig voedselrijk tot voedselrijk.
  Voorkomen -- Op allerlei plekken vooral op zware kleigronden en bemeste of zwaar vermeste bodems; vooral in agrarisch en stedelijk gebied.
G8 -- graslandvegetaties op natte schrale tot voedselrijke bodem
  Voorkomen -- In allerlei natte hooilanden: natte graslanden, beekdalen, boezemland, veenweidegebieden, waterkanten, plas-drasbermen
G9 -- graslandvegetaties op vochtige tot droge zeer voedselrijke bodems
  Voorkomen -- Op allerlei plekken vooral op zware kleigronden en bemeste of zwaar vermeste bodems; vooral in agrarisch en stedelijk gebied.
G10 -- grazige vegetaties met soorten van bos en bosranden
  Voorkomen -- Meestal in de omgeving van bos buiten de klei en laagveen gebieden; vaak als relicten van houtwallen, singels of bosjes.
--
Verantwoording en gebruik van de soortenkolom (leftframe)
Vegetatiekundig zijn grazige begroeiingen in tientallen plantengemeenschappen in te delen. Bij het beheer vraagt iedere planten gemeenschap aparte aandacht. Vooral in natuurreservaten. Buiten de natuurreservaten natuurlijk is ook ook buiten de natuurreservaten deze aandacht gewenst, maar dat is niet altijd praktisch. Vooral is als het beheer aan aannemers moet worden uitbesteed. Naar beheer kunnen vegetaties ook anders worden ingedeeld. In de praktijk wordt het beheer meestal bepaald door de voedselrijkdom en de vochtigheid van de van de bodem. De plantengemeenschappen zijn daarom gegroepeerd in beheertypen. In ieder beheertypen worden de voornaamste kenmerkende planten genoemd. Ter verantwoording wordt ook een voorlopige tabel gegeven van de plantengemeenschappen waar een beheertypen is op gebaseerd. De tabellen zijn samengesteld aan de hand van:
  De kaartjes zijn gebaseerd op de verspreidingskaartjes van het boek: De Nederlandsche bijen. (Peeters. T.M.J., 2012. De Nederlandse bijen. Naturalis Biodiversity center. Leiden. 544 pp.
  Schaminee, J.H.J., A,H.F. Stortelder & E.J.Weeda, 1996. De vegetatie van Nederland, Deel 3: plantengemeenschappen van graslanden, zomen en droge heiden.