Bodem en drachtplanten (geupdate 22 4-2014)

Er zijn veel mogelijkheden om het voorkomen van bijen te bevorderen. In het Nederlandse landschap komen  zeker, al dan niet van nature, een paar duizend  plantensoorten voor die door bijen worden bezocht.
Op veel plekken in het landschap kunnen deze planten groeien. Het probleem is dat de meeste planten, met name wilde planten, voorwaarden stellen aan de bodem.

De Nederlandse plantensoorten groeien meestal in vaste combinaties op bepaalde bodems. Een vruchtbare of schrale, een natte of een droge, een zure of een kalkrijke bodem. Dit alles in verschillende combinaties en gradaties.

De bodem beïnvloedt in belangrijke mate het type vegetatie en de soortensamenstelling daarin. Daarnaast bepaalt ze voor veel soorten het verspreidingspatroon (het gebied waarin een plantensoort voorkomt).

Bodemkunde is een uitgebreide wetenschap. Op deze pagina wordt alleen op enkele hoofdlijnen ingegaan.

Vragen groeiplaatsfactoren in eigen beheergebied

De bodem bepaalt welke drachtplanten  tot ontwikkeling kunnen komen of kunnen worden toegepast. Als de eigenschappen van de bodem globaal bekend zijn, kan vastgesteld worden waarop het beheer zich moet richten en  welke planten kunnen worden toegepast.

Bepalen van bodemeigenschappen

Bepalen van bodemeigenschappen
Voor veel plantensoorten en vooral voor plantengemeenschappen zijn voor een optimale ontwikkeling de eigenschappen van bodem en water van doorslaggevende betekenis. Als we de natuur haar gang laten gaan, komt alles vroeg of laat vanzelf wel goed, maar als we ons er mee willen bemoeien, kan dat niet zonder enige kennis van groeiplaatsfactoren. Vooral als men het ontwikkelingsproces in een bepaalde richting wil begeleiden, moet men er redelijk zeker van zijn dat het gewenste ontwikkelingsproces door het milieu wordt ondersteund. Grond - en watermonsters, bodemkaarten, vegetatiekundige analyses of desnoods een goede observatie van de planten, die zich in de naaste omgeving goed ontwikkelen en vergelijking van de verschillende bodemtypen kunnen bijdragen aan het gewenste resultaat.

Gebruik van een grondboor

Meestal is het niet haalbaar om de bodem van iedere groeiplaats te analyseren. Men moet afgaan op ervaring en kennis van de plantensoorten die op de plek of in de naaste omgeving groeien. In vergelijking met het resultaat van chemische grondanalyses zijn de gegevens, die het gebruik van een grondboor opleveren misschien nog nauwelijks meer van deze tijd.Voor het beheer van kleinschalige landschapselementen kan de grondboor echter nog steeds goede diensten bewijzen.

Als we de bodem alleen indelen op basis van de bodemkaart van Nederland (Stiboka, 1965) hebben we al te maken met meer dan honderd bodemtypen. Vele bodemtypen worden gekenmerkt door een karakteristieke vegetatie of karakteristieke plantensoorten. Naast de basiselementen klei, zand en veen en alle samenstellingen en verhoudingen waarin deze bodemelementen kunnen voorkomen, spelen bodemstructuur en bodemprocessen een zeer belangrijke rol. De aanwezigheid van humus of kalk, de dynamiek en de chemie van de bodem, de kwaliteit en de herkomst van het water en de richting van de waterstroming in de bodem en de menselijke invloeden bepalen in hoge mate welke planten er van "nature" kunnen groeien.

Met een grondboor kom je meestal wel te weten of een bodem zandig, kleiig of venig is. Bij zandgrond wijst een donkere kleur meestal op humus. De globale grondwaterstand of bodemvochtigheid kan ook met een grondboor worden bepaald.

De chemische kenmerken zijn vaak ook globaal aan de vegetatie af te lezen. Scherpe boterbloem wijst meestal op een voedselrijke vochtige bodem; muizenoortje op een voedselarme of schrale, droge bodem; tormentil op een zwakzure bodem en ruige leeuwentand op een basische of kalkhoudende bodem. Vooral het voorkomen van combinaties van planten geven meer zekerheid over de kwaliteit van de bodem. De planten vormen als het ware het ABC van het groenbeheer. Zonder goede plantenkennis is goed groenbeheer met duurzame resultaten vrijwel onmogelijk.