Bodem, grond en aarde
1. De bovenste laag van de aardkorst, die voor plantenproductie van belang is en waarin biologische krachten werkzaam zijn, is ontstaan door verwering van gesteente of door sedimentatie van door water of door wind verplaatst materiaal (Minderhout et al., 1954).
2. De bovenste laag, in Nederland tot 2 meter dik, van de aardkorst die door planten kan worden beworteld of van invloed is op de bewortelde zone. In de praktijk is het vaak de bouwvoor van 20-50 cm dik.
Ondergrond -- De vaste en ongerijpte, al dan niet stenige ondergrond wordt bodemkundig gezien niet tot de bodem gerekend.
Grondsoort -- Het begrip grondsoort heeft betrekking op de aard van de bodem en wordt in Nederland in enkele hoofdgroepen ingedeeld: veen, zand, klei, zavel en leem.
Aarde -- Het begrip aarde heeft betrekking op de humeuze toplaag van de bodem, in landbouwkringen vaak de bouwvoor genoemd. Afhankelijk van de diepte van spitten of ploegen is deze laag aarde 10 tot 50 cm dik. Grond, tuinaarde, potgrond, etc. bestaat voor ca. 50% uit minerale en organische bestanddelen, 30% lucht en 20% water.
Moedermateriaal -- Moedermateriaal is de oorspronkelijke bodem gevorm voordat de specifieke eigenschappen aanwezig zijn. Het is de laag die direct onder het gedeelte ligt dat bodem heet.
Grond -- Grond heeft een ruimere betekenis dan het begrip bodem. Het is de bodem waar men concreet mee te maken heeft: het is de bodem waar men in plant en zaait. Gemiddelde minerale grond bevat 40-50 % mineralen, 3-6 % organische stof, ca.25 % water en ca. 25 % lucht.