Bodemvruchtbaarheid en zuurgraad
De bodemvruchtbaarheid wordt door een reeks van factoren bepaald, onder meer: grondsoort, voedselrijkdom, zuurgraad (pH), bodemstructuur, waterhuishouding, klimaat, humus en bodemleven.
a. Zand - klei
Van grof- en leemarm zand naar zware klei neemt de vruchtbaarheid toe en ook het vermogen om water vast te houden. Op grove zandgronden treffen we daardoor onder natuurlijke omstandigheden weinig of geen begroeiing aan. Op leemrijke en zware kleibodems daarentegen ontwikkelen zich ruige vegetaties en hoog opgaande zware bomen.
Voedselrijkdom en beschikbaarheid van voedsel
Een bodem kan voedselrijk zijn, maar dat wil niet zeggen dat de voedselrijkdom ook ten goede komt aan de planten. Er is een groot verschil tussen voedselrijkdom en vruchtbaarheid: dat is beschikbaarheid van voedsel. Vooral de zuurgraad of pH heeft een enorme invloed op de bodemvruchtbaarheid.
 
Zuurstof
In de bodem wordt organische stof door zuurstof omgezet in voedingsstoffen voor plantengroei. Als de bodem te veel is verdicht of te nat is, is er meestal te weinig zuurstof waardoor de groei van planten wordt beperkt. Bij omgewoelde, lees verstoorde, bodem komt er zeer veel lucht in de bodem, hetgeen gepaard gaat met een snelle omzetting van organische stof. Door zuurstof gebrek kunnen voedselrijke bodems zich voedselarm gaan gedragen; door een plotselinge toevoer van zuurstof zien we de tegengestelde reactie op schrale gronden.
Bij natte bodems treedt dit zuurstof effect ook heel sterk op. Planten op winternatte bodems worden sterk in hun groei vertraagd. Op bodems die sterk worden ontwaterd zie we het tegengestelde effect. Vaak gaat dat gepaard met verruiging. Bij veengrond ook met een sterke oxidatie van het veen. Dit veen is op den duur volledig veraard en zakt steeds met het waterpeil mee, zolang de ontwatering voorduurt. Dat proces wordt inklinking genoemd. In de afgelopen eeuwen is op deze wijze op veel plaatsen de bodem een paar meter gezakt.
 
Vochtgehalte en grondwaterstand
Zowel op een droge als op een zeer natte bodemkan het overgrote deel van de planten het jaar rond nauwelijks leven. Zowel door gebrek aan als door te veel aan water kan een plant geen voedingsstoffen opnemen. Natte bodems, die in de winter onder water staan, en in de zomer een zeer natte bovengrond hebben, zijn zuurstofarm en warmen in het voorjaar veel langzamer op dan drogere bodems. Hierdoor wordt de productiviteit van de bodem sterk beperkt.
Grondwater dat door kwel wordt gevoed, gaat verzuring tegen. Er worden basen aangevoerd. beide factoren bevorderen de groei.
 
Zuurgraad of pH in hoofdlijnen
De zuurgraad heeft een enorme invloed op de plantengroei en de samenstelling van de vegetatie. In Nederland is dat zeer duidelijk te zien. De vrij soortenarme hei treffen we aan op zure zandige bodems. In Zuid-Limbrug op de krijtgronden en de zeer kalkrijke bodems van de kalkgraslanden vinden we veel plantensoorten die zich op zure bodems niet kunnen handhaven. In de duinen bij Bergen zien we een vrij sterke overgang van kalkrijke (hoge pH) en kalkarme (lage pH) duinen. Ten noorden van Bergen worden veel duinen en duinvalleien gedomineerd door struikhei of kraaihei, ten zuiden van Bergen door plantensoorten die een voorkeur hebben voor kalkrijke tot neutrale bodems. Een te hoge of te lage zuurgraad remt de groei van planten af.
 
Meer informatie
De zuurgraad van de bodem (concentratie vrije waterstofdeeltjes of waterstofionen aangegeven in pH-schaal 1 t/m 14) is bepalend voor de plantengroei. Rond pH 7 is het milieu neutraal; lager dan pH 7 zuur en hoger dan pH 7 basisch ook wel alkalisch genoemd.
De waarde van de pH is eigenlijk een logaritmische schaal. Dat wil zeggen dat bij iedere getal hoger of lager de zuurgraad 10x zuurder of minder zuur wordt. Dus pH 6 is 10 x zuurder dan pH 7 en pH4 100 x zuurder dan pH6. De schaal werkt dus in omgekeerde volgorde (negatieve logaritme): hoe lager het getal des te zuurder de bodem.
De pH is een enorme belangrijke factor voor de geschikbaarheid van nutriënten (voedingsstoffen), vooral kationen (zie bij Klei) in de bodem. Te veel of te weinig waterstofionen in de bodem dwingen kationen verbindingen met andere ionen aan te gaan waardoor ze niet meer voor de planten beschikbaar zijn of anders om juist vrijkomen uit verbindingen. Een tekort of te veel van bepaalde voedingsstoffen leidt tot gebrekziekten of vergiftiging.
Zo spoelen kalium en magnesium bijvoorbeeld uit door een te lage zuurgraad en komt er voor planten te veel aluminium vrij dat weer kan leiden tot vergiftiging van planten.
Bij een te hoge zuurgraad gaan bij voorbeeld ijzer en koper verbindingen aan met andere ionen waardoor ze vrijwel onoplosbaar worden en niet meer door de wortels van de planten kunnen worden opgenomen. In bodems die min of meer neutraal zijn is fosfaat aan calcium gebonden. In een zure bodem komt fosfaat weer vrij en hoopt zich op in de bodem.
 
Andere groeiplaats factoren
Op zure bodems wordt door kalk de bodem productiever, op kalkrijke bodems kan de productie worden geremd doordat kalk fosfaten bindt, waardoor fosfor de beperkende factor voor plantengroei wordt. Hierdoor kunnen op relatief voedselrijke bodems vegetaties tot ontwikkeling komen, die kenmerkend zijn voor schrale tot matig voedselarme bodems.