Humus & bagger
Hoofdlijnen
"Humus is een toestand in de bovenste 40 cm van de bodem die de balans weergeeft tussen strooiselaanvoer en strooiselafbraak en die wordt gekenmerkt door een karakteristieke combinatie van organische horizonten die van elkaar verschillen in verteringsgraad" (Kemmers, 1996).
 
Humusgehalte en vruchtbaarheid
Het humusgehalte van de bodem is een belangrijke factor voor de vruchtbaarheid. Naar mate er meer humus in de grond aanwezig is, is de bodem doorgaans, voedselrijker, vochthoudender en luchtiger. Dat komt voornamelijk door het feit dat humus voedingsstoffen en water kan vasthouden en de bodemdeeltjes aan elkaar bindt. Vooral door het laatste feit draagt humus bij aan een structuur van de bodem, die gunstig is voor de plantengroei. Daarnaast levert humus zelf door de vertering van plantaardige en dierlijke resten (deeltjes) ook voedingsstoffen via de kringloop. Vooral koolstof, stikstof en fosfor.
Praktisch humusloze bodems komen voor in stuifzanden. Humusarme bodems (voor zand 1-3%, voor klei 2-4%) zijn vaak goede uitgangssituaties voor kruidachtige begroeiingen, die kenmerkend zijn voor schrale bodems. Sterk humushoudende bodems (rond de 10%) zijn meestal zwart tot donkerbruin gekleurd. Humeuze bodems bevatten 4 tot 10% humus en zijn eveneens donker gekleurd. Bodems met een typische zandkleur zijn meestal humusarm. Uiteraard komen er aanzienlijke hogere humusgehaltes voor. In dalgronden kan dit oplopen tot boven de 15%, maar dan kan de grond al venig genoemd worden.
Ook het soort humus en de snelheid van het afbraakproces bepalen de vruchtbaarheid van de bodem. Zo verteert populieren blad zeer snel en eikenblad zeer langzaam. Op kalkhoudende bodems verloopt het verteringsproces veel sneller dan op kalkarme of zure bodems. Vooral zuurstof heeft een enorme invloed op het verteringsproces. Hiermee hebben beheerders in de praktijk vaak te maken. Bij omgewoelde grond verteert humus snel en dit proces gaat op humusrijke gronden ook nog jaren door. Voor grasland (bermen bijvoorbeeld) leidt dit tot een lagere floristische verscheidenheid en een hogere productie van gras. Een snelle vertering van humus werkt dus ook kosten verhogend. De humusvertering kan worden geremd door natuurtechnische aanleg. Waar grond moet worden afgevoerd, gebeurt dat op een manier die het nieuwe grondoppervlak zo gaaf mogelijk houdt. Waar losse grond ontstaat wordt die t weer aangedrukt.
Bij gebrek aan zuurstof wordt de afbraak van humus geremd. Als er dan steeds nieuwe humus wordt toegevoegd (onder meer door afstervende wortels) ontstaat er een ophoping van humus. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in oudere bermen met een zuurstofafsluitende zode. Als zulke bermen worden omgewoeld of ernstig worden beschadigd, treedt er zuurstof toe waardoor er een (zeer) voedselrijke situatie ontstaat: heel vaak een voedingsbodem voor akkerdistels.
De aanwezigheid van micro-organismen is ook bepalend voor de afbraaksnelheid van humus. Dit is weer direct afhankelijk van stikstof die micro-organisimen voor hun groei (o.m. eiwitten) nodig hebben. Zonder of bij te weinig stikstof vindt geen afbraak of een zeer langzame afbraak van humus plaats. Te veel stikstof is niet goed, maar te weinig ook niet. Maar over te weinig stikstof hoeven we ons bij natuurontwikkeling doorgaans geen zorgen te maken.
 
Meer informatie
Humusvormen
De studie van humus is een wetenschap apart. Verschillende milieus hebben verschillende humusvormen. Hier worden alleen enkele hoofdgroepen genoemd. Verder wordt verwezen naar Van Delft (2001), Kemmers et al. (2001), Stortelder el al. (1998), Wolf et al. (2001).
Ruwe humus (of mor) -- Dit is een 5 tot 30 cm dikke laag strooisel, die op voedselarme zandige grond voorkomt en onder begroeiingen, die slecht afbreekbaar strooisel produceren. (struikhei, naaldhoutbos, beuken-eikenbos, berken-eikenbos). Er is een min of meer scherpe grens tussen de minerale bodem en de humuslaag. Er kunnen drie lagen in worden onderscheiden:
De litterlaag waarin nog geen omzetting heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld de bovenste bruine bladlaag in beukenbossen.
De fermentatielaag waarin plantenresten al grotendeels zijn verteerd.
De humificatielaag, die geheel in organische stof is omgezet.
Moder -- Humus gevormd door uitwerpselen van kleine ongewervelde bodemdieren (invertebraten) die niet met mineralen zijn vermengd. Een ca. 5 tot 10 cm dikke laag organisch materiaal.
Mull -- Het organisch materiaal is grotendeels of geheel in de bovenste minerale bodemlaag ( de A-horizont) opgenomen. Deze humus is niet meer zichtbaar en is een component geworden van het klei - humuscomplex. Deze vorm komt voor op rijkere en niet zure, veelal kalkhoudende gronden onder een begroeiing die gemakkelijk verteerbaar strooisel produceert. Ondermeer op vochtige al dan niet venige kleigronden. Zandgronden die met al dan niet volledig verteerde tuincompost zijn bemest, kunnen op den duur redelijk rijk aan regenwormen zijn. Processen van mullvorming zijn vooral in het najaar goed zichtbaar, vooral aan de wormenhoopjes. Regenwormen trekken dan massaal afgevallen blad, maar soms ook ander materiaal zoals papier en vogelveren de grond in.
Amorfe humus -- Dit is humus, die nog niet volledig is verteerd, maar in de bovengrond uiteenvalt (dispergeert) en vervolgens in deze disperse vorm uitspoelt en in de B-horizont neerslaat. Dit proces voltrekt zich in hoofdzaak op zure, voedselarme zandgronden. Het is dus een podzoleringsproces.
 
Bagger en baggeren
Bagger is een met water verzadigd mengel van humus dat gemengd is met andere gronddeeltjes zoals veen en zand.
Bagger bestaat grotendeels uit verteerde en halfverteerde resten van water- en oeverplanten. Op plekken waar bomen en struiken aanwezig zijn, kan de baggerlaag vrijwel volledig door afgevallen blad zijn ontstaan. In het stedelijk gebied kan ook afval een bijdrage aan de baggerlaag leveren. Met de aanvoer van water, inclusief de aanvoer via het aangrenzende land waaronder verhardingen/plaveisel, worden er ook gronddeeltjes aangevoerd die in de waterkolom bezinken.
Vroeger werden sloten en andere kleine watergangen met handkracht uitgebaggerd. De bagger werd met baggeremmers uit de sloot geschept en langs de slootkant te drogen gelegd. Hierna werd de bagger gewoonlijk gebruikt om de aangrenzende landbouwpercelen te bemesten. Deze methode is thans in de meeste gevallen om financiële redenen niet meer haalbaar. Bovendien is bagger vaak chemisch verontreinigd. Grootschalige baggerwerkzaamheden kunnen, net als de kleinschalige, in de tweede helft van september of de eerste helft van oktober plaatsvinden. Als de bagger niet te veel is vervuild of verontreinigd, is het aan te bevelen met het oog op bescherming van de fauna ca. 10% van de bagger ongemoeid te laten. Dit is bijvoorbeeld mogelijk langs oevers of op andere plekken waar baggeren minder urgent is.
Het gebruik van een krachtige (rijdende) baggerzuigpomp, waaraan een buizenstelsel is verbonden, is een goede baggermethode. De bagger kan dan buiten het gebied in containers worden verzameld en (eventueel na reiniging) worden afgevoerd. Als men voorzichtig werkt, veroorzaakt deze methode de minste schade aan de eventueel aanwezige bomen die langs de oever staan. Bovendien kan deze methode eventueel geheel vanuit het water worden uitgevoerd. Op plaatsen waar wel moet worden gebaggerd en de bagger wegens verontreiniging niet mag worden afgevoerd, moet de bagger in de buurt van het betreffende water worden opgeslagen. In principe is deze opslag van tijdelijke aard.
Verder is er vooral in Nederland met zijn zachte bodems ook sprake van oevererosie. Daarnaast kan bagger allerlei chemische en organische stoffen bevatten. Niet verontreinigde slootbagger kan een zeer positief effect hebben op natte, verzurende en te veel verschraalde schraalgraslanden. Soorten als dotterbloem en rietorchis profiteren hiervan. Slootbagger voegt meststoffen toe en verhoogt de pH van het water. Soorten die aan zure of verzurende bodems gebonden zijn, nemen uiteraard af.
Als er niet wordt gebaggerd zal het water eerst dichtgroeien en afhankelijk van de omstandigheden land worden met een venige bodem. Zie ook Piek et al. (1997).
Literatuur
Delft, S.P.J. van (2001). Ecologische typering van bodems. Deel 2. Humusvormtypology voor korte vegetaties. Alterra-rapport 286, Alterra, Wageningen, pp. 176.
Kemmers, R.H. (1996). Bodemkartering voor ecologische toepassing. In: R.H. Kemmers (red.). De dynamiek van strooisellagen. DLO-Staring Centrum, Wageningen, pp. 56.
Kemmers, R.H., R.W. de Waal & S.P.J. van Delft (2001). Ecologische typering van bodems: van typering naar kartering. Alterra-rapport 352., Alttera, Wageningen. pp. 45 + bijlagen.
Piek, H., H. Sloteren & N. van Heijst (1997). Herstel van verzuurde hooilanden in de Wieden. De Levende Natuur 98 (7): 283-288.
Stortelder, A.H.F., P.W.F.M. & R.W. de Waal (red.) (1998). Broekbossen. KNNV, Utrecht, pp. 216.
Wolf, R.J.A.M., A.H.F. Stortelder & R.W. de Waal (red.) (2001). Ooibossen. KNNV, Utrecht, pp. 200.