Tuingrond
In Nederland is een gemiddelde bodem, waarin de meeste planten goed kunnen groeien, vochtig. De bodem droogt bij normale zomers niet uit, is niet winternat, niet te zuur of te kalkrijk (dus een pH = 5,5 - 6,0 voor zandige bodems, pH = 6,0 - 6, 5 voor leemachtige bodems en pH = 7,0 ongeveer voor kleibodems). De bodem is humushoudend en goed waterdoorlatend zonder daarbij uit te drogen. Het laatste wil zeggen dat het water niet stagneert, maar vrij snel in de bodem wegzakt.
In een bodem waarin min of meer cultuurlijk wordt getuinierd, leidt een lage pH onder meer tot fosfor - en magnesiumgebrek en tot uitspoeling van kali en speciaal op kleibodems tot een slechte bodemstructuur. Bij een te hoge pH ontstaat er vooral een gebrek aan metalen, zoals ijzer en mangaan en komt een snelle afbraak van organische stoffen voor.
In tuinen waarin men met combinaties van planten werkt, die van nature niet in Nederland voorkomen en die niet afkomstig zijn uit extreme milieus, is bij een hoge of te lage zuurgraad bodemverbetering noodzakelijk. Een toevoeging van compost en het omwoelen van de bodem (spitten) vormen een goede uitgangssituatie voor veel tuinplanten. Op de ontwikkeling van bloemrijke, min of meer inheemse vegetaties, hebben deze maatregelen daarentegen een averechts effect.