Voedselrijk – voedselarm
De voornaamste componenten die de bodemvruchtbaarheid bepalen zijn nitraat en fosfaat. Uiteraard zijn voor de totale groei nog veel meer stoffen nodig zoals kalium, magnesium, ijzer, calcium en koper. De vruchtbaarheid wordt uitgedrukt in potentiële productie drooggewicht per ha. De vruchtbaarheid heeft een sterke invloed op de soortensamenstelling van vegetaties. Voor de begrippen voedselarm en voedselrijk worden maatstaven aangehouden, die ingeburgerd zijn bij het graslandbeheer.
- Voedselarm: lager dan 4 ton per jaar
- Matig voedselrijk: tussen 4 en 8 ton per jaar
- Voedselrijk - zeer voedselrijk: tussen de 8 en 12 ton; ruigte op vochtige tot natte voedselrijke bodems: tot 15-20 (30) ton per jaar
-

Het begrip "schraal" wordt hier gebruikt voor bodems tussen voedselarm en matig voedselrijk.

- Men moet rekening houden dat nat maaisel tweemaal zo zwaar weegt als het drooggewicht.
 
Een praktische indicatie voor grasland en bermen
Gemiddelde vegetatie:
- hoger dan 50 cm: voedselrijke tot zeer voedselrijke bodem. (gewoonlijk 2 maaibeurten per jaar).
- tussen 40 en 50 cm: schrale tot matig voedselrijke bodem. (1 of 2 maaibeurten per jaar).
- lager dan 40 cm: schrale tot voedselarme bodems. (gewoonlijk 1 maaibeurt per jaar)
 
Globale onbemeste bodemtypen
Voedselrijk tot zeer zijn:
- de meeste kleigronden
- humusrijke ( 2-10% humus) zand- en leemgronden. (te herkennen aan de bruine tot zwarte kleur) is vooral in agrarische gebieden het geval.
- ontwaterde veengronden
- de meeste minerale bodems met een humus gehalte hoger dan 2-3 %. (rivierklei, zavel, löss en krijtbodems).
 
Voedselram of laagproductief zijn:
- vrijwel alle kalkarme en kalkhoudende zand- en leemgronden met een humusgehalte van minder dan 2-3% vaak te herkennen aan de lichte zandkleur
- natte, 's winters onderwaterstaande, zand- en veengronden.
 
Matig voedselrijk staat tussen beide categorieën in: de meeste droge tot matig droge, lichte minerale bodems ( zand, leem, lichte rivierklei, zavel, löss) met een matig hoog humusgehalte ca. 3-5 %
 
Vooral bij de ontwikkeling van levensgemeenschappen die gebonden zijn aan voedselarme gronden vormen stikstof en fosfaat een knelpunt. Voor de planten goed opneembare stikstof komt door depositie vooral uit de lucht. Door uitspoeling en het oogsten van gewas (maaien en afvoeren) verdwijnt de stikstof gedeeltelijk uit de bodem. Als de depositie ophoudt worden de bodem zelfs relatief snel stikstofarm. Doordat stikstof zich bindt aan organische stoffen (humus), die in hoofdzaak in de bouwvoor of in de bovenste bodemlaag voorkomen, verdwijnt deze stikstof als organische stof wordt afgebroken of op de een of andere wijze wordt verwijderd (plaggen, afgraven). Dit geldt ook voor kali.
Fosfaat dat vooral door mest in de bodem komt, bindt zich ook aan de minerale bodemdeeltjes en kan daardoor ook veel dieper in de bodem voorkomen. Omdat het nauwelijks uitspoelt, hoopt het zich op (fosfaataccumulatie). Dit maakt verschraling van de bodem tot een lastig proces. Zeker als de stikstoftoevoer via de atmosfeer te hoog blijft. Als het fosfaatgehalte beperkt is (meevalt), leidt een toevoer van stikstof maar vooral kali er wel toe dat door plantengroei en het oogsten daarvan, fosfaat geleidelijk tot het normale niveau afneemt. Bij natuurbeheer en verschillende vormen van ecologisch groenbeheer gaat het vaak om verschraling van de bodem. Door het oogsten van de groene delen wordt vooral stikstof en kali afgevoerd. Als het fosfaatgehalte te hoog is en de stikstoftoevoer blijft doorgaan is verschraling een proces dat langzaam verloopt. (zie vooral Chardon, 2003; Eekeren, 2007, Kemmers et al., 2006)
 
Foto's:
Maïsakkers worden doorgaans zeer zwaar bemest. Voor natuurontwikkeling wordt de voedselrijke bovenlaag meestal afgegraven.
 
De voedselrijke bovenlaag van een maïsakker die wordt afgegraven
 
Ontgraven is een zeer kostbare manier om natuur te bevorderen. De vraag is steeds wat wil men precies bereiken en op welke termijn moet er resultaat zijn. Op welke wijze kunnen traditionele methoden daarvoor worden in gezet.
 
Resultaat ontgraven.
 
 
Chopperen is een methode om de bodem kaal te maken waarbij de vegetatie en de humuslaag tot ca. 2 cm dik worden verwijderd. Het is een compromis tussen maaien en plaggen. Door een te dichte vegetatie en strooisellaag kunnen zaden van planten niet meer ontkiemen. Omdat de wortels van de overblijvende soorten gespaard zijn lopen deze planten weer uit en zaden krijgen weer een kans te ontkiemen.. Deze methode werkt vooral op lichte minerale, veelal verzurende bodems; wordt gebruikt voor heidevegetaies die vaak worden gedomineerd door kraaiheide. (Vlieland 2008)