Startpagina kruidlaag
Dit hoofdstuk gaat over aanleg en beheer van houtige beplantingen, in de periode van 1980-ca.2000. Vooral in deze periode werden beplantingen (bosplantsoen) aangelegd en ontwikkeld met een bloemrijke kruidlaag. Niet alleen in heem- en natuurparken, maar ook daar buiten in openbaar groen. Deze beplantingen waren, en zijn, goed voor honingbijen en wilde bijen. In het voorjaar groeien er in de kruidlaag verschillende drachtplanten. In de zomer groeien deze vooral langs de randen.
In deze periode ging het niet speciaal om de bijen, maar om een bredere biodiversiteit. Dat werd op verschillende manieren vorm gegeven. De ene beheerder of gemeente richtte zich op het ontwikkelen van bloemrijke kruidlagen die veel gemeen hadden met die van de stinzen in Friesland en de hellingbossen in Zuid-Limburg, de andere beheerder koos voor een open beplanting met een grazige kruidlaag. Deze beplantingen komen nog steeds voor en kunnen ook heel goed op kleine schaal worden toegepast. Bij het beheer van verschillende typen van deze beplantingen zouden ook burgers kunnen worden betrokken.
 
Ecologie en beheer
Ecologisch gezien vormt een kruidlaag meestal een essentiële component van de beplantingen. Afhankelijk van de situatie in het landschap kunnen ze door alle groepen kleine dieren worden bevolkt zoals kleine zoogdieren, padden, vogels, insecten. Bloeiende kruidlagen zijn vooral van grote betekenis voor de bloembezoekende insecten. Als de kruidlaag goed wordt beheerd en niet een indruk van achterstallig onderhoud of verpaupering geeft, daagt die bij aan de esthetische kwaliteit van de omgeving.
In kleinschalige beplantingen, zowel in de woonomgeving als in de eigen tuin, zijn verschillende typen kruidlagen of bodembedekkende begroeiingen mogelijk. Ze kunnen variëren van een bodembedekkende sprei van bosanemonen tot een ruige brandnetelbegroeiing. De eerste optie vraagt om een vrij strakke aanpak de laatste om een veel passiever beheer gecombineerd met een ruime plantafstand. De eerste optie is meer bedoeld voor een kleinschalige aanpak, maar kan uiteraard ook grootschaliger zoals in parken, op landgoederen of in groenstroken in de stedelijke omgeving. De tweede optie is veel meer bedoeld voor een grootschalige aanpak waarbij geen aandacht hoeft te worden geschonken aan de kwaliteiten van de kruidlaag en waar het beheer beperkt blijf tot hooguit eenmaal per jaar uitmaaien.
 
Structuur van dit hoofdstuk
In het eerste gedeelte van dit hoofdstuk worden de voornaamste typen kruidlagen getoond. Alle typen beplantingen hebben het meest gemeen met natuurlijke essen-iepenbossen. Voor andere typen bosachtige beplantingen zoals wilgen en elzenbossen wordt verwezen naar de startpagina.
Alle typen houtige beplantingen en alle aspecten daarvan kunnen bijdragen aan biodiversiteit waaronder die van wilde bijen. Dat is in de eerste plaats afhankelijk van het ontwerp en het beheer. In de aanlegfase kunnen al wilde bijen voor komen, maar de aanlegfase is ook bepalend voor de ontwikkelingsfase en het ontwikkelingsbeheer.
Dit vraagt om hoogwaardige vakkennis. Bij geschoolde groenbeheerders en -ontwerpers is dat aanwezig. In dit hoofdstuk starten we daarom direct met suggesties voor verschillende typen kruidlagen.
Voor kleinschalige beplantingen waarbij de ontwikkeling wordt begeleid door een persoon met groene vingers is een schema overbodig. Zo'n persoon gaat op zijn ervaring en zijn intuïtie af. In andere gevallen kan een schema als leidraad dienen voor het beheer dat vooral in de aanleg- en de ontwikkelingsfase moet worden uitgevoerd.
Bij iedere optie is daarom een beheerschema toegevoegd. Dit schema is geen absoluut gegeven, maar moet worden gezien als een leidraad. Voor de soorten die kunnen worden toegepast wordt verwezen naar keuzentabel voor houtige soorten.
 
Aspecten van ecologisch beheer
Het tweede gedeelte van dit hoofdstuk 'Aspecten van ecologisch beheer' richt zich meer op aspirant groenbeheerders en andere geïnteresseerden. Vooral geïnteresseerden die op grotere afstand betrokken zijn bij het ontwikkelen van bijen- en natuurvriendelijke beplantingen kunnen mee kijken welke kennis er nodig is om deze beplantingen te realiseren.
 
Publicaties die de basis vormen voor dit hoofdstuk
Koster, A. (1998). Ecologisch beheer van beplantingen in het stedelijk gebied. IBN-Rapport 369. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen, pp. 349.
Koster, A. (2001). Openbaar groen op ecologische grondslag. Proefschrift Wageningen universiteit, pp. 264.