Omschrijving houtige landschapselementen ----
De ontwikkeling van houtige begroeiingen kan men vaak niet volledig aan de natuur overlaten. Specifieke functies, de maatschappelijke context en de tijdfactor maken een ontwerp voor aan te leggen begroeiingen vaak noodzakelijk. Om aan de verschillende kwaliteitseisen van de omgeving te voldoen is er een ruime keuze aan begroeiingstypen beschikbaar. Over de naamgeving daarvan bestaat in de praktijk spraakverwarring. Aan de hand van praktijkervaring en een analyse van de Nederlandse vakliteratuur zal worden ingegaan op de begroeiingstypen die het best toegepast kunnen worden in het stedelijk gebied. De maatvoering is gebaseerd op eigen ervaring en in de praktijk gemeten breedtes van struiken (Koster 1998a: p. 323)--
 
Algemeen
Inleiding
Uit jarenlange praktijkervaring met burgers, beheerders en ontwerpers is gebleken dat aan de verschijningsvorm van houtige begroeiingen veel belang wordt gehecht. Steeds wordt de vraag gesteld hoe een begroeiing er na verloop van een aantal jaren uit zal zien en welke ruimte nodig is om het beoogde beeld en de daarbij behorende kwaliteit te realiseren.
Soorten, beplantingsschema's, aanleg, beheer, etc. spelen een belangrijke rol bij het tot stand brengen van het beoogde beeld. Maar pas als we weten wat we met een begroeiing willen bereiken, krijgen deze aspecten betekenis. In principe kunnen alle typen houtige begroeiingen een bijdrage leveren aan de stuifmee-l en nectar- voorziening van insecten. Dat is vaak een kwestie van aandacht en beheer.
Voor landschapsarchitecten, ontwerpers en beheerders is het vooral van belang om verschijningsvormen van begroeiingen te kunnen benoemen. Als men het eens is over een bepaald beeld en over de betekenis en kwaliteit die daaraan gekoppeld zijn, kan men ook afspreken hoe dat beeld gerealiseerd kan of moet worden. Ook voor de communicatie tussen groendiensten, bestuurders en burgers is het van belang om eenduidig aan te geven wat er met een bepaald begrip wordt bedoeld.
 
 
Bosplantsoen
Kleinschalige houtige begroeiingen worden meestal aangeduid met de term ‘bosplantsoen'. Bosplantsoen is een vakterm die in de Nederlandse woordenboeken niet voorkomt. In het woord bosplantsoen heeft het ‘bos' vermoedelijk veel meer betrekking op de wijze waarop het plantmateriaal werd aangeleverd dan op het landschappelijke begrip ‘bos'. Het woorddeel ‘plantsoen' is afgeleid van het oud-Franse woord "plaçon" dat oorspronkelijk “ stek ” betekende. In vakkringen gebruikt men de term bosplantsoen onder meer voor: beworteld , veelal inheems plantmateriaal, gebundeld plantmateriaal en beplantingen die uit bosplantsoen zijn opgebouwd. De term heeft dus op verschillende zaken betrekking en is daardoor nogal verwarrend.
Als men het over bosplantsoen in de stedelijke omgeving heeft, gaat het niet uitsluitend over het houtige assortiment maar ook over de kruidachtige onderbegroeiing, zoombegroeiing en eventueel liaanachtige planten. De inheemse houtige soorten zijn gewoonlijk aangeplant, de kruidachtige begroeiing is meestal spontaan. Vooral na 1980 zijn deze bosplantsoenen in toenemende mate aangelegd. Op basis van de praktijk van het openbaar groenbeheer wordt de term ‘bosplantsoen' op deze Cd-rom gedefinieerd als: ‘begroeiingen, die structuurkenmerken hebben van bossen en struwelen en in hoofdzaak inheemse soorten bevatten'.
Bosplantsoen -- het bos plantsoen is een begroeiing die structuurkenmerken geeft van bos en struweel en in hoofdzaak inheemse soorten bevat'. Op de foto is een boomlaag, een struiklaag en een kruidlaag te onderscheiden. Op verschillende plekken ligt ook strooisel. (Bijlmer 1998)
 
 
Landschappelijke beplantingen Naar top
De term "landschappelijke beplantingen" heeft in de eerste plaats betrekking op de houtige begroeiingen van het agrarische landschap: houtwallen, singels, geriefhoutbosjes, heggen, etc. Ze zijn te gering van omvang om ze bos te kunnen noemen. Volgens de Nederlandse Bosstatistiek (CBS 1985) zouden dit terreinen moeten zijn kleiner dan 0,5 ha en smaller dan 30 m. In de Bosstatistiek worden landschappelijke beplantingen gedefinieerd als: ‘Bosterrein met een kroonprojectie van meer dan 60%, aangelegd als landschappelijke element voornamelijk langs verkeerswegen en in ruilverkavelingen.
De beplantingen worden veelal gekenmerkt door een gevarieerde soortensamenstelling van loofhout van relatief lage leeftijd. Landschappelijke beplanting echter is net zo'n algemeen begrip als bosplantsoen. Gelet op de praktijk kan men stellen dat de term bosplantsoen gebruikt wordt voor aaneengesloten begroeiingen in de bebouwde omgeving van stad en dorp en landschappelijke beplanting voor het gebied dat erbuiten ligt, vaak aangeduid als buitengebied.
Landschappelijke beplanting -- De kleinschaligheid van een landschap wordt vaak zichtbaar door landschappelijk beplantingen. (Gelderse Vallei 1993) Dat zien we ook in veel andere streken van Europa bijvoorbeeld In North Yorkshire
 
In Yorkshire komt een grote verscheidenheid aan landschappelijke beplantingen voor.
 
 
Houtige beplantingen naar top
Indien de scheiding tussen stad en land duidelijk zou zijn, zou het geen bezwaar zijn om de eerdergenoemde termen naast elkaar te gebruiken: binnen de stenige stadsrand "bosplantsoen", daarbuiten "landschappelijke beplanting". Het probleem is echter dat deze scheiding sinds enkele decennia niet meer bestaat. Bovendien is de term “landschappelijke beplanting” net zo vaag als de term “bosplantsoen”. Daarbij komt ook nog dat we bij houtige begroeiingen, die volgens ecologische principes worden ontworpen en beheerd, te maken hebben met spontane ontwikkeling van de houtige soorten, de kruidlaag en de zoomvegetatie. In die gevallen heeft de term ‘beplanting' dan slechts betrekking op een klein gedeelte van het totale ontwikkelingsproces, namelijk de aanlegfase.
In dit hoofdstuk gaat het om een ontwikkeling op langere termijn die sterk bepaald wordt door natuurlijke processen. Het aanplanten van houtige soorten is daarbij slechts de aanzet tot het scheppen van een bepaald begroeiingstype. Dit leidt tot de vraag of niet beter de term "houtige vegetatie" ingevoerd zou kunnen worden. In principe is dat mogelijk, maar dit kan eveneens weer aanleiding zijn tot spraakverwarring. In dit hoofdstuk wordt daarom ook gebruikgemaakt van de term ‘houtige begroeiing' die de termen “bosplantsoen”, “landschappelijke beplanting”, “spontane houtige begroeiing” en “houtige vegetatie” dekt. Waar het in wezen om gaat, is het begroeiingstype en het beeld dat daarbij hoort.
Houtige begroeiing -- Houtige begroeiingen ontstaan ook spontaan zoals op dit voormalige fabrieksterrein. (Utrecht1992)
 
 
Bos Naar top
De term bos is veelomvattend. Volgens de Grote Van Dale: een met opgaande bomen beplante uitgestrektheid grond. Volgens de Nederlandse Bosstatistiek (CBS 1985) is een bos een met boom- of struikvormende soorten begroeid terrein met een oppervlakte van ten minste 0,5 ha en een breedte van minimaal 30 m.
Het Rijksinstituut voor Natuurbeheer (1979) geeft de volgende definitie: ‘Bos is een levensgemeenschap van planten en dieren waarbij boomvormende soorten aspectbepalend zijn'.
In principe kan een bos dan heel klein zijn. De vraag blijft toch of een oppervlakte van 0,5 ha in ecologisch opzicht nog bos kan worden genoemd. Storingsfactoren van buiten dringen vaak tientallen meters het bos in en veel levensgemeenschappen die karakteristiek zijn voor bos, hebben vaak een minimumareaal dat varieert van 10-100 ha (Koop & Van Os, 1995; Van der Werf, 1991). In dat geval zijn er maar heel weinig stedelijke terreinen die bos genoemd kunnen worden.
Bos is ook iets dat je kunt ervaren als een ruimte met een bepaalde sfeer, zonder dat men kennis heeft van levensgemeenschappen. Afgezien van de minimumarealen die gelden voor specifieke bosgemeenschappen, is het voor het openbaar groen interessant om na te gaan welke kenmerken van bos (op een minimaal oppervlak van 0,5 ha en een minimale breedte van 30 m of zelfs minder) nog een rol kunnen spelen om een groenstrook als bos te kunnen beleven of betitelen. Gezien vanuit het openbaar groen zou men veel begroeiingen met bomen bos kunnen noemen als het de belevingswaarde van bos heeft.
Bos -- Dit recreatieve stadsbos is volgens traditioneel bosbouwkundige principes aangelegd in de jaren dertig. Dat betekent veel bomen op een klein oppervlak. Door al die bomen wordt het bos minder zichtbaar. Dit bos is thans grotendeels omgevormd. (Amsterdamse bos, 1997)
 
Natuurlijk bos Naar top
In bossen die min of meer natuurlijk genoemd mogen worden, vallen ten opzichte van productiebos, aangelegde stadsparken en recreatiebossen de onregelmatigheid en de ogenschijnlijke wanorde het meeste op. In de eerste plaats staan bomen van allerlei leeftijden door elkaar heen. Dit is een voorwaarde wil een bos duurzaam blijven voortbestaan (Koop, 1994).
Struik- en kruidlaag, een aspect dat positief wordt gewaardeerd (Heytze & Herbert, 1991) zijn in principe aanwezig. Waar de bodem ongelijk is en waar geen blad blijft liggen, is vaak een moslaag aanwezig. Waar het bos wat ouder is, komen tientallen zwammen en paddestoelen voor. De afstand van de houtige soorten is onregelmatig, soms staan de bomen 10 m van elkaar en dan weer vormen enkele bomen op een paar vierkante meters een boomgroep. Hetzelfde geldt voor struiken. De vorm van de stammen is heel gevarieerd; van krom tot recht en van enkelstammig tot meerstammig. Vooral op stammen die sterk gekromd zijn, kunnen mossen groeien.
Door de ongelijke leeftijdsopbouw en natuurlijke verjonging, in combinatie met de struiklaag, is het bos meestal veel minder doorzichtig dan een productiebos. Op veel plekken ligt er dood hout en hier en daar staat een dode of stervende boom. De sporen van menselijk ingrijpen zijn minimaal. Deze kenmerken kunnen zeker niet alleen tot uiting komen op een strook die breder is dan 30 m, maar ook op smallere singels van bijvoorbeeld 15-30 m is dit mogelijk.
Natuurlijk bos -- In een natuurlijk bos zijn de bomen van ongelijke leeftijdsopbouw, de afstand van de bomen is onregelmatig en er ligt veel dood hout op de grond. (Oost-Polen 2002)
 
 
Open en gesloten bos Naar top
Op structuurniveau wordt bos verdeeld in gesloten en open bos. Bij gesloten bos is de kroonprojectie groter dan 60%. In de praktijk is dat een vrij schaduwrijk tot vrij donker bos, vooral als beuk, haagbeuk, gewone esdoorn en tamme kastanje talrijk tot dominant aanwezig zijn. Op minder voedselrijke bodems groeien er dan, met uitzondering van het voorjaar, nauwelijks kruiden en struiken. Bij de meer lichtdoorlatende soorten is er meestal een ijle struik- en kruidlaag aanwezig. Indien er veel schaduw is, zullen veel struiken niet of in beperkte mate bloeien, weinig of geen vruchten dragen en is het milieu alleen geschikt voor echte schaduwplanten als varens. Aan de randen op de zon, in halfschaduwsituaties, op plekken waar zijdelings licht kan toetreden en op plekken waar de opening in het kronendak zo groot is dat de zon er enige uren op de bodem kan doordringen, zullen ook in de zomer kruiden en heesters normaal kunnen groeien en bloeien. Bij open bos met een kroonprojectie tussen 20 en 60% kan er veel meer zon doordringen.
Daardoor is de struiklaag veel meer gesloten en kan ze beter tot bloei en vruchtzetting komen. Waar de struiklaag niet te dicht is, is veelal ook een kruidlaag aanwezig. Op plekken waar de zon volop kan schijnen zal - indien struiken ontbreken - de vegetatie grasachtig of ruig zijn.
Open bos -- Dit bosgedeelte is selectief gekapt en is daardoor een open bos geworden met een kroonsluiting die aanzienlijk lager is dan 60%. Het licht kan overal onbelemmerd invallen. De sterke groei van de jonge dennenbomen vult de gaten snel op, zodat het bos binnen een aantal jaren weer gesloten is. (Arnhem, demonstratiebos 1995)
 
Kronensluiting
De mate waarin de kronen van bomen en struiken de lucht bedekken. In de praktijk is dat de meest eenvoudige wijze om de bedekking te schatten. Dit wordt ook uitgedrukt in kronenprojectie
Kronenprojectie Loodrechte projectie van de omtrek van de kruinen van bomen en struiken op de bodem.
Open en gesloten beplantingen Wat open en gesloten inhoudt, is voor bossen duidelijk gedefinieerd maar voor de overige beplantingen nauwelijks. Volgens de Bosstatistiek van 1985 heeft:
gesloten bos een kronenprojectie (kroonsluiting) groter dan 60%

open bos een kronenprojectie van 20 tot 60%.
Voorbeelden Beuken- en naaldbos en vrijwel alle beplantingen in de stakenfase kunnen een bedekking van 100% halen. Onderbegroeiing is in deze situaties afwezig.
Een middenbos (haagbeuken-hakhoutbos) en essenbossen kunnen een kronendichtheid hebben van rond de 60%.
 
Bosachtige begroeiingen Naar top
Onder bosachtige begroeiingen worden hier bosachtige terreinen verstaan, die te klein zijn om ze volgens de Bosstatistiek bos te noemen, maar die wel een bosachtig aanzien hebben. Dit zijn onder meer bosjes en bossingels met opgaande bomen. Begroeiingen als houtwallen en singels vallen er ook onder, omdat ze te beschouwen zijn als derivaten van bos.

Deze singel is minder dan 30 meter breed. Toch waan je je in een bos. (Deventer 1996)

 

 
Bosje Naar top
Een bosje wordt hier gedefinieerd als een terrein kleiner dan 0,5 ha dat niet lint- of lijnvormig is met opgaande bomen. Bij een terrein breder dan 50 m zou nog een onderscheid gemaakt kunnen worden tussen open en gesloten bos, maar bij een kleinere breedte gaat bij open bos het bosachtige karakter snel verloren.
Een smalle strook met enkele bomen, ook als de bodembedekking meer dan 20% is, zal niet meer aan een bos doen denken. Een bedekking van 60% wordt hier als minimum gesteld om nog van een bosachtig karakter te kunnen spreken. Voor kleinere boomsoorten en soorten met een tamelijk lichtdoorlatende kroon zoals es, ruwe berk en robinia kan onder bepaalde omstandigheden een oppervlakte van 10x10 m al voldoende zijn.
Zoals eerder gezegd is een harde ondergrens niet aan te geven. Indien zware bomen deel uitmaken van de begroeiing, zou 30 x 30 m een betere maat zijn. Als op deze oppervlakte een dergelijk bosje als middenbos wordt beheerd, kan dat een gevarieerd bosje opleveren. Zulke bosjes kunnen een bijdrage leveren aan de biologische verscheidenheid in een biotoop (Teeuwisse, 1984) en worden gebruik voor het ontwerpen miniparken (pocket park, mini-park, vestpocket parks: zie onder meer: www.pocketparks.com/about/benefits.asp)
Bosje -- Bosje zijn niet alleen karakteristiek voor het platteland. Ze komen ook in de stad voor, hier zelfs spontaan. (Berlijn 1991)
 
Bossingel Naar top
Een bossingel wordt hier gedefinieerd als een langwerpig gevormd terrein dat met opgaande bomen en struiken is begroeid. Volgens de Bosstatistiek is een beplante strook smaller dan 30 m een singel. Dat wil nog niet zeggen dat een bosachtige begroeiing die smaller is dan 30 m niet als bos kan worden beleefd. Zo komen in de Gelderse Vallei boswallen, wildwallen en bosachtige singels voor van 15-30 m breed met een sterk bosachtig karakter. Aan de buitenkant ziet het er als bos uit en binnenin heerst er een bosachtige sfeer.
Ook in de bebouwde kom komen zulke smalle bosachtige singels voor. In verschillende situaties is het niet de oppervlakte, maar veel meer de opgeroepen sfeer die de doorslag geeft om een begroeiing bos te noemen. Bij een strook van 50 m breed zal dit eerder het geval zijn dan bij een strook van 30 m breed. Maar bij een uitgekiend ontwerp en beheer kan op den duur, zelfs na omvorming van een bestaand plantsoen, ook op een strook van 15 m nog een begroeiing ontstaan die door de term bossingel gedekt kan worden. Op deze strookbreedte hebben de meeste bomen en struiken namelijk nog redelijk wat ruimte om goed uit te groeien en is er zelfs een bescheiden bospad mogelijk.
Bosingel -- Deze beplanting is het restant van een oude wildwal van ongeveer een halve meter hoog. Dit lintvormige element heeft karakteristieken van bos.
 
Smalle lintvormige begroeiingen Naar top
Het verschil tussen smalle lint- of lijnvormige begroeiingen en bossingels is dat het bosachtige karakter ontbreekt. In de praktijk gaat het meestal om smalle aangeplante singels die niet breder zijn dan 15 m. Ze zijn het meest te vergelijken met bosranden: opgaande bomen met een goed ontwikkelde struiklaag en steeds vaker ook een kruidlaag. Het gaat hier om hagen, singels en houtwallen. Vroeger werden ze onder meer gebruikt als afscheiding en windkering.
Singels worden nog steeds aangeplant, losgroeiende hagen veel minder en houtwallen zelden. Maar door stadsuitbreiding komen er steeds meer houtwallen in de bebouwde kom te liggen. Daarnaast zijn vele gemeenten mede verantwoordelijk voor de ecologische en landschappelijke kwaliteit van hun grondgebied. Hierbij gaat het niet alleen om beheer en herstel van oude lijnvormige landschapselementen, maar ook om nieuwe aanleg. Deze elementen zijn vooral interessant als biotoop voor talloze planten en dieren. Maar ook voor de ecologische infrastructuur als begeleidende groensingels langs allerlei wegen, paden en watergangen (Alleijn, 1980; Logemann & Schoorl, 1988; Opdam et al., 1986; Schmitz, 1993; Zonderwijk, 1955. Zie ook Natura 78 (4); Het Vogeljaar 27 (5); Nederlands Bosbouwtijdschrift 49 (11). Verder zijn smalle lintvormige begroeiingen van groot belang voor de indeling van de landschappelijke ruimte. Voor de schaalindeling (groot- of kleinschalig) en de daarmee samenhangende biologische diversiteit van het landschap zijn ze vaak van doorslaggevende betekenis.
Smalle lintvormige begroeiingen -- Deze smalle, singelachtige, beekbegeleidende beplanting lag vroeger in het agrarische landschap, maar is nu opgenomen in het openbaar groen. Een typisch lint door een stedelijk landschap in de Gelderse Vallei. (Leusden 1995)
 
 
Singels Naar top
Singels worden gekenmerkt door opgaande bomen met een niet te zware kroonsluiting. Als onderbegroeiing zijn struiken aanwezig. Boom- en struiklaag zijn vaak niet scherp te onderscheiden, ze vloeien in elkaar over. Singels zijn relatief smal waardoor zijwaarts licht goed kan toetreden en struiken zich vaak veel beter kunnen ontwikkelen dan in bos of bossingels. Doordat het aantal bomen beperkt is (geen bos), kunnen de kronen van de bomen breder uitgroeien. Dit is het geval bij boomgroepen en eenrijige singels. Zo kunnen de kronen van schietwilgen in eenrijige singels met een plantafstand van ca. 1 m, een breedte van 12 m bereiken. De kronen blijven wel tamelijk plat. In minder extreme gevallen krijgen de kronen een meer natuurlijke vorm. Doordat er in singels relatief veel licht beschikbaar is, kan de plantafstand voor bomen wat kleiner zijn dan voor bos en bossingels.
Met uitzondering van laanbeplantingen zijn singels waarschijnlijk de meest aangeplante lijnvormige begroeiingselementen in de woonomgeving. Ze komen voor langs allerlei wateren (sloten, vijvers en recreatieplassen), langs recreatieve routes, om sportaccommodaties en erfbeplantingen, etc. Het meest karakteristiek voor singels is dat ze relatief smal zijn. Ze variëren van 2-15 m breed.
Bij singels breder dan 8 m hoeft er, indien er zeer extensief beheer plaatsvindt, voor struiken in ieder geval geen ruimtegebrek te ontstaan. Bij de smallere singels is een andere beheervorm nodig. Vooral als ze smaller zijn dan 6 m, zal er van tijd tot tijd, zelf jaarlijks, gesnoeid moeten worden. Bij singels minder dan 6 m breed kan men beter geen snel of breed uitgroeiende struiken (Amerikaans krentenboompje, gewone vlier, grauwe wilg, hazelaar of Spaanse aak) aanplanten, als men niet zeker weet of er op tijd kan worden gesnoeid. Dat geldt nog veel meer voor singels die minder dan 4 m breed zijn. Slechts enkele soorten struiken beperken zich onder normale omstandigheden tot deze breedte.
Singel met bomen en struiken -- Singels die vroeger vooral kenmerken waren voor het platteland, kunnen ook in de stad op veel plekken worden toegepast.
 
 
Houtwallen Naar top
Volgens de Bosstatistiek is een houtwal een singel van meestal verwaarloosd hakhout of middenbos op een aarden wal. Oorspronkelijk zijn houtwallen dichte aaneengesloten loofhoutbeplantingen op aarden wallen die 1 m boven het maaiveld uitsteken. In verband met beheer, herstel en eventueel nieuwe aanleg dienen houtwallen in dit verband nadrukkelijk te worden genoemd.
Als openbaar groen komen deze oude landschapselementen de laatste decennia in beeld. Dit wordt veroorzaakt door stadsuitbreidingen, waarbij houtwallen in de planning worden opgenomen. Dit proces speelt zich vooral op de zandgronden af. Houtwallen, die als hakhout worden beheerd, zijn ecologisch waardevol. De wallen zelf zijn 2-4 m breed en als ze breder zijn dan 5-15 m, is er sprake van een wildwal. De begroeiing is vaak aanmerkelijk breder. Wallen breder dan 10 m hebben een tamelijk bosachtig karakter. Er staan hoge opgaande bomen (overstaanders) in, er is een min of meer open struiklaag aanwezig en pleksgewijs is er ook een kruid- en moslaag. In het belang van de fauna zouden deze houtwallen als hakhout kunnen worden beheerd.
Houtwal -- Dit is een relatief jonge houtwal in het stedelijk gebied van Ede. Net als bij hakhout is de structuur van de beplanting vrij dicht, dat is goed voor vogels. Om dit zo te houden moet het hout om de 10 tot 15 jaar worden afgezet. Dat is vooral in de stad niet het geval, waardoor de structuur opener zal worden. (Ede 1997)
 
Houtwal doorgeschoten -- Een oude geïntegreerde houtwal in de stad. Het traditionele hakhoutbeheer is hier al enkele decennia gestaakt met het gevolg dat de telgen tot bomen konden uitgroeien. (Ede 1996)
 
 
Hakhout Naar top
Evenals houtwallen komen hakhout- en geriefhoutbosjes steeds vaker binnen de invloedssfeer van het openbaar groen te liggen. Als landschappelijke elementen hebben ze cultuurhistorische waarde en biologisch gezien zijn ze eveneens waardevol. Karakteristiek zijn de stobben met daarop opgaande takken die een tamelijk dicht bosje kunnen vormen. Een kruidlaag is meestal aanwezig. Wegens de hoge natuurwaarde dient hakhout veel meer te worden aangeplant. Het zal echter tientallen jaren duren voordat het enigszins op een hakhoutbosje gaat lijken. Op de zandgronden bestaat hakhout voornamelijk uit zomereik, op löss onder meer uit haagbeuk en op de meer natte bodems uit zwarte els en es. Het oorspronkelijke beheer omvat vaak meer dan alleen het kappen van bomen. (De Kroon 1986).
Hakhout -- Elzenhakhout wordt, als het niet te droog en te zonnig is, vaak gekenmerkt door varens. De bodem is hier ontwaterd, maar omdat het hier vrij donker is kan alleen brede stekel varen hier groeien.
Grienden
Grienden kunnen eveneens tot het hakhout worden gerekend. Meestal zijn ze te vinden in uiterwaarden en op binnendijkse gronden met een natte bodem. Het aspect is een soort stronkenbos van wilg of es met drie- tot vijfjarige takken, die schuin tot rechtop omhoog groeien. Bij enkele gemeenten is het een onderdeel van het openbaar groen. De stronken staan ca. 1 m uit elkaar. Over de minimale afmeting als element in openbaar groen is niets bekend. In principe kan op een betrekkelijk klein terrein (10 x 10 m) al een hakhoutbosje worden aangelegd, maar voor gefaseerd beheer is een groter oppervlak van bijvoorbeeld 10 x 30 m aan te bevelen (zie ook Kalkhoven & Opdam, 1984).
Hakhout en grienden worden gekenmerkt door een vrij dichte beplantingstructuur. Als dit hout niet regelmatig wordt afgezet groeit een groot aantal stammen tot volwassen bomen uit. Veel stammen zullen door lichtconcurrentie afsterven. Er ontstaat dan een open structuur en een struiklaag zal zich gaan ontwikkelen. (Rhoonse grienden 2006). Dit is ook met elzenhakhout het geval.
 
Elzensingels Naar top
Een meer lijnvormige hakhoutbegroeiing wordt gevormd door elzensingels. Deze landschappelijke elementen groeiden oorspronkelijk langs waterkanten en greppelkantjes. Ze beschermden de kanten tegen het intrappen door vee. Zwarte els slaat in Nederland overal langs oevers van vijvers en waterlopen spontaan op. Indien er op natte en vochtige bodems singels worden aangeplant, is zwarte els de meest voor de hand liggende soort. Elzen worden meestal als hakhout beheerd. Net als in de andere soorten hakhout ontstaan ook hier micro-milieus voor allerlei soorten planten en dieren. Elzensingels die als hakhout worden beheerd, worden door het uitgroeien van de stobben (vergelijk met knotbomen) geleidelijk dikker. Na enkele tientallen jaren moet men op kniehoogte rekening houden met een minimale breedte van 2 m. Tweerijige singels zijn op kniehoogte als snel 3 m breed. De kruin wordt dan vaak dubbel zo breed.
Langs elzensingels kan een groot aantal bijenplanten voorkomen die karakteristiek zijn voor natte en zeer vochtige bodems.
Een elzensingen als openbaar groen (Schiedam)
   
Struwelen en struweelachtige beplantingen Naar top
Struwelen zijn 1 - 6 m hoge begroeiingen die in hoofdzaak zijn samengesteld uit struikvormende soorten. Verspreid kunnen er lage bomen in voorkomen. Afhankelijk van het soort struiken, de bodemvruchtbaarheid en het beheer is de breedte minimaal 10-15 m. In natuurlijke omstandigheden kunnen struwelen wel enkele hectaren groot worden. In de duinen zien we daar voorbeelden van. Indien we struwelen willen aanplanten, zal een strook van minimaal 10-15 m nodig zijn. Bij niets doen zal ook 15 m na verloop van jaren te smal zijn. Een sleedoorn op voedselrijke bodem kan na vier tot vijf jaar al een diameter van 4 m hebben bereikt en groeit daarna vrij snel uit naar 6 m; sommige soorten braam maken op vruchtbare bodem ranken tot 6 m. In deze gevallen is bij niets doen zelfs 15 m aan de krappe kant. Spoorbermen en spoorwegtaluds zijn milieus waarin smalle lintvormige struwelen door het hele land algemeen voorkomen. Deze struwelen zijn te vergelijken met randstruwelen van bossen. Enkele karakteristieke struwelen zijn bremstruwelen, doornstruwelen en wilgenbroekstruwelen.
Ruimte voor struwelen
De ruimte, die struwelen kunnen innemen, kan sterk variëren. Solitair groeiend kunnen de meeste struiken 6-8 m breed worden. Deze breedte kan afhankelijk van de soort 2 - 6 m extra bedragen, doordat de buitenste takken op zeker moment naar de grond zakken. Hazelaar en grauwe wilg kunnen dan 10-15 m halen. Na twintig of dertig jaar kan een struik of struikgroep de hele breedte van 10-15 m in beslag nemen. Als de bodem niet al te vruchtbaar is en enig beheer mogelijk is, kan een struweel zich ontwikkelen op een minimumbreedte van 10 m. Net als op de spoorbermen varieert zo'n struweel weinig in breedteprofiel, maar des te meer in lengteprofiel. Doordat de struiken niet solitair groeien maar in onderlinge concurrentie, is er slechts een bescheiden variatie in het breedteprofiel mogelijk. Voor vrij uitgroeiende struwelen geldt een minimumbreedte van 15 m als er geen mogelijkheden zijn voor extensief beheer. Hierbij wordt de buitenste strook van ca. 6 m breed niet beplant, maar als grasland en/of ruige zoom beheerd. In een periode van twintig tot dertig jaar zal de onbeplante strook steeds smaller worden. Het is echter de vraag of aangeplante struwelen het zolang zonder actief beheer kunnen stellen. Als men het struweel of de struweelachtige begroeiingen ononderbroken in stand wil houden, zal een periodiek extensief beheer noodzakelijk zijn.
Open en gesloten struweel Naar top
Net als bij bossen kan bij struweel een onderscheid worden gemaakt tussen gesloten en open struweel. Gesloten struwelen zijn aaneengesloten houtige begroeiingen met weinig open ruimte voor kruidachtigen. Doordat gesloten struwelen vrij donker zijn, kan alleen in het voorjaar (eind maart-begin juni) een kruidlaag aanwezig zijn. In de zomer kunnen er slechts enkele varensoorten en andere echte schaduwplanten groeien, maar zelfs die moeten het soms afleggen in de diepe schaduw van de struwelen. In een niet al te donkere situatie kan er ook klimop groeien. Aan de buitenkant hebben veel struikbegroeiingen in de stad iets gemeen met gesloten struwelen, maar de variatie in de begroeiingsstructuur is vaak minimaal. Gesloten struwelen zijn vaak zo dicht dat ze voor mensen en grotere diersoorten vrijwel ontoegankelijk zijn. Klik hier voor foto
Struweel -- Natuurlijke struwelen van deze omvang zijn alleen in het Noord- en Zuid-Hollandse duingebied te vinden. (Kennermerduinen 1996)
 
Open struweel bestaat uit kleinere en grotere groepen struikvormende soorten, die geregeld door kruidachtige veelal ruige begroeiingen worden afgewisseld. Op plaatsen waar de struiken dicht opeenstaan, zal alleen in het voorjaar een kruidlaag aanwezig kunnen zijn. Op plekken waar de struiken in kleinere groepen of alleenstaand voorkomen, zal een lichtbehoevende kruidachtige vegetatie de bodem bedekken. Indien het open struweel zich ongehinderd kan ontwikkelen, ontstaat er na verloop van tijd een gesloten struweel met wellicht opgaande bomen. Op allerlei terreinen die met rust worden gelaten, komen deze struwelen voor. Buiten de natuurreservaten zijn deze struwelen vooral langs de spoorwegen veelvuldig aanwezig. De meer open struwelen bieden meer ruimte voor grasland- en ruigteplanten. Dit geldt uiteraard ook voor de randen van de struwelen. Klik hier voor foto
Open struweel -- Zulke struweelachtige begroeiingen kwamen in de jaren tachtig en begin jaren negentig veelvuldig voor in het Rotterdamse havengebied. (Botlek, 1992)
 
Grazig struweel is een variant op open struweel, maar met dit verschil dat de open plekken in hoofdzaak uit een grasachtige begroeiing bestaan. Onder natuurlijke omstandigheden worden deze grazige vegetaties door begrazing in stand gehouden. In het openbaar groen komen soms struweelachtige begroeiingen voor, die overeenkomst vertonen met grazig struweel. Doordat er één of twee keer per jaar wordt gemaaid, wordt een grasachtige begroeiing in stand gehouden terwijl het struweel niet dichtgroeit.
Grazig struweel -- Meidoornstruiken in het gras hebben hier een struweelachtige uitstraling. Natuurlijk struweel is vrijwel niet na te bootsen, maar bij een goed ontwerp en een experimentele aanplant zonder grondbewerking en onkruidbestrijding is de sfeer van struwelen wel op te wekken. (Apeldoorn 1996)
 
 
Struwelen in de stad Naar top
Houtige begroeiingen die duidelijk overeenkomst vertonen met natuurlijke struwelen komen, met uitzondering van enkele kustplaatsen, in het openbaar groen nog nauwelijks voor. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan de wijze waarop struiken worden aangeplant. Voor struwelen moeten het plantmateriaal en de plantafstand onregelmatig zijn. Alles moet niet in één keer worden dicht geplant, zodat er ook ruimte overblijft voor spontane vestiging. Bovendien ontstaan de meeste struwelen in concurrentie met grassen en ruigten. Waar de concurrerende vegetatie al aanwezig is, dient deze zeker voor een deel te worden gehandhaafd als er wordt ingeplant en op open bodems dient onkruidbestrijding achterwege te blijven. Ongelijke groei, concurrentie en een matige begrazing zullen op den duur een begroeiing opleveren, die sterk op een struweel lijkt.
Struwelen in de stad -- Door begrazing begint struweel te ontstaan. Bramen en rozen mengen zich met de begraasde beplanting. Op den duur kan dat tot struweel leiden. Zaandam, Vijfhoekpark 1993)
 
Scheerhaag Naar top
In verband met de beschikbare ruimte is een uitgroeiende haag niet altijd mogelijk; een scheerhaag is dan een alternatief. Ze zijn er in tientallen soorten, maar niet alle hagen zijn uit het oogpunt van natuurontwikkeling interessant. Hagen van meidoorn, hulst (geen cultivar) beuk, haagbeuk, taxus en zuurbes bieden meer nest- en schuilgelegenheid voor vogels dan coniferenhagen. In geschoren vorm zijn zulke hagen 0,5-1 m dik en 0,8-2 m hoog, maar rond de langste dag moet er door de groei ongeveer 1 m bij worden opgeteld. Deze hagen kunnen in geschoren toestand meer dan 2 m breed worden, maar worden dan ook holler. Dit is voor vogels minder aantrekkelijk. De ruimte neemt toe terwijl de ecologische kwaliteit afneemt. Indien scheerhagen met rust worden gelaten, groeien ze als losse haag uit en individuele planten kunnen zelfs tot bomen uitgroeien. Voorbeelden hiervan zijn te zien rond de Oude Begraafplaats van Veenendaal en langs de Rielerweg in de gemeente Deventer. De strak geschoren beukenhagen van weleer zijn hier uitgegroeid tot rijen dicht opeen staande volwassen bomen.
Scheerhaag -- Het karakteristieke van een scheerheg is dat hij minimaal één, maar vaak meer keren, met een heggenschaar wordt geknipt of geschoren. Daardoor blijft de haag dicht. Als dit onderhoud wordt gestaakt groeien de meeste planten tot min of meer grillige bomen uit.
 
Scheerhagen -- Doorgeschoten beukenhaag -- Decennia geleden was deze beplanting een scheerhaag. Na het staken van het jaarlijkse onderhoud zijn de afzonderlijke planten tot bomen uitgegroeid. (Deventer 1999)
 
Struikbeplantingen Naar top
Veel struikbeplantingen zijn te beschouwen als afgeleiden van struweel, maar zien er te cultuurlijk uit om struweel genoemd te kunnen worden. Dit zijn vaak begroeiingen met struiken van gelijke leeftijd of begroeiingen die te kunstmatig in stand worden gehouden door de eisen die door de omgeving of aan het beheer worden gesteld. Vaak is hier een beperkte natuurontwikkeling mogelijk. Het gaat dan meestal om omgevormde, sterk gedunde of nieuw aangelegde struikbegroeiingen waarin de ontwikkeling van de kruidachtige begroeiing wordt gestuurd door middel van een of twee keer per jaar maaien. Zulke struikbegroeiingen zijn vooral in woonwijken te vinden.
In de praktijk is gebleken dat deze vormen van begroeiing een zekere natuurwaarde kunnen hebben. Verschillende kruidlaagtypen zijn mogelijk, die zowel voor de fauna als voor de flora van belang kunnen zijn. Uitgroeiende struiken kunnen door hun bloei en vruchten voor insecten en vogels van betekenis zijn. Kleine zoogdieren zoals bosmuis, waarvan de nesten in een later stadium door hommels kunnen worden gebruikt, kunnen in de wat ruigere kruidachtige begroeiing aanwezig zijn. In alle gevallen kunnen enkele bomen voorkomen en in symbiose hiermee ook paddestoelen. Veel begroeiingen lijken nog niet op struweel, maar er zijn wel natuurlijke processen die tot struweelvorming kunnen leiden, onder meer natuurlijke opslag van struiken, braam en lianen.
Struikbeplantingen -- Deze informele beplanting ligt tussen twee wegen in. Het heeft een sterk struweelachtig karakter. (Odijk 1997)
Breedte struikbegroeiingen: losse doornhaag Naar top
Evenals bij het struweel zijn er bij struikbegroeiingen open en gesloten vormen te onderscheiden, maar zonder beheer of begrazing groeien ook de struiken dicht. Bij struiken is het van groot belang om de breedte in de gaten te houden. Hoewel solitaire struiken tot 8 en soms tot 10 - 15 m breed kunnen uitgroeien, is bij een matig extensief beheer een minimale breedte van 6 m voldoende. Op deze breedte kunnen de struiken in een tamelijk natuurlijke vorm uitgroeien. Na ongeveer tien jaar moet er dan wel worden ingegrepen. Bij een extensief beheer van meerrijige open en gesloten struikbegroeiingen moet voor het uitgroeien van de buitenste struiken vanaf de stam minimaal 5-6 m worden gerekend. De beheercyclus kan dan meer dan tien jaar bedragen.
Voor zelfregulerende struikbegroeiingen moet men er voor de buitenste struiken rekening mee houden dat ze in een periode van twintig tot vijfentwintig jaar 6 - 8 m naar buiten kunnen uitgroeien. Zowel ecologisch als esthetisch is dat echter niet altijd gewenst. Vooral in de openbare ruimte lijkt het wenselijk om ze nu en dan terug te zetten. Dit kost extra arbeid, maar functie en kwaliteit blijven hierdoor behouden op een kleinere ruimte. Smallere stroken grond bieden ook mogelijkheden voor struikbegroeiingen, onder voorwaarde dat er vrijwel jaarlijks wordt gesnoeid. Pas aangeplante struikvormers kunnen in vier tot acht jaar uitgroeien tot een breedte van 3-6 m. Daarna moeten de planten vrijwel jaarlijks worden gesnoeid of om de paar jaar worden afgezet.
Losse doornhaag -- Deze sleedoornhaag is nog nooit gesnoeid, en is op verschillende plekken meer dan 12 m breed en 8 m hoog. Een voorbeeld hoe breed heesters kunnen uitgroeien. Normaal worden zulke heggen om de 10 jaar op kniehoogte afgezet. (Utrecht, oude paardenrenbaan 1994; is thans een golfbaan)
 
 
Kleinschalige houtige beplantingen Naar top
Niet alles is door bovengenoemde termen te dekken. Vrijwel de meeste gemeenten in ons land zitten nog jaren lang opgescheept met een planologische erfenis van de afgelopen decennia. Het kleinschalige groen, dat met goede bedoelingen is ontworpen en aangelegd, is vaak niet berekend op uitgroeiende struiken en bomen. Heel vaak is de ruimte voor begroeiingen aanzienlijk kleiner dan 100 m2 en daarbij slechts enkele meters breed. Toch biedt deze kleine oppervlakte vaak ruimte aan enkele kleine bomen en niet al te hard groeiende struiken. In principe kan ook hier een kruidlaag aanwezig zijn en als er ook nog sprake is van enige bewonersparticipatie, kan er van 25 m2 zelfs nog een aardig vlinderbosje gemaakt worden en is er zelfs een stinzenflora of een Zuid-Limburgse bosflora mogelijk.
Er wordt nogal eens denigrerend over zulke kleine stukjes groen gesproken. Vaak terecht, maar we mogen niet vergeten dat er talloze woonwijken bestaan waar dit zogenaamde snippergroen nog de enige groene plekken zijn. In tientallen steden zijn bewoners bereid om in samenwerking met de groendiensten van zulke plekken iets aardigs te maken. Misschien mogen we dat geen natuur meer noemen, maar het kan door de aangrenzende bewoners wel als natuur worden beleefd.
 
Literatuur
Heusden, W.R.M. van, M. Bruins, E.M.P. Hermens & J. Vissers (1994). Ideeënboek beplantingen: ontwerp en aanleg van landschappelijke beplantingen op basis van ecologische uitgangspunten. LD-Mededelingen 202, werkdocument IKC Natuurbeheer 62, Landinrichtingsdienst, Utrecht, pp. 124.
Koster, A. (1998). Beelden en begrippen voor bosplantsoen en landschappelijke beplantingen 1. Groen 54 (5): 46-51.
Koster, A. (1998). Beelden en begrippen voor bosplantsoen en landschappelijke beplantingen 1. Groen 54 (5): 46-51.
Koster, A. (1998). Beelden en begrippen voor bosplantsoen en landschappelijke beplantingen 3. Groen 54 (9): 56-51.
Koster, A. (1998). Ecologisch beheer van beplantingen in het stedelijk gebied. IBN-Rapport 369. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen, pp. 349.
Koster, A. (2001). Openbaar groen op ecologische grondslag. Proefschrift Wageningen universiteit, pp. 264.
Reuver, P.J.H.M. & I. van den Hoven (1997). Tussen beplantingsplan en eindbeeld, het beheer van het bosplantsoen. IPC Groene Ruimte, Arnhem, pp. 484.
Naar top