Typologie en afmetingen voor bos en bosachtige beplantingen
In het Nederlandse landschap komt een groot aantal houtige landschapselementen voor die in principe allemaal meer of minder geschikt zijn voor wilde bijen en honingbijen. Als deze elementen worden aangelegd, moeten ze een minimale omvang hebben. Als de omvang te klein is, is extra beheer vaak noodzakelijk. Dat werkt niet alleen verstorend, maar gaat ook vaak gepaard met een afname van de esthetische en veelal de ecologische kwaliteit. Deze tabel geeft een indicatie van de breedte van landschapselementen. Alleen bos geeft officiële maten. Voor een uitvoerige omschrijving en foto's zie link (Achtergrond informatie tabel)
 
Houtige beplantingen en bijen
Al deze landschapselementen kunnen drachtplanten bevatten en bezocht worden door honingbijen en wilde bijen. Bij loofbossen en loofhoutbeplantingen op niet al te voedselarme en zure bodem kan in het voorlaar een bloemrijke kruidlaag voorkomen die druk door bijen kan worden bezocht. zandbijen, wespbijen, gewone sachembij en rosse metselbij zijn landelijk de meest voorkomende wilde bijen in de onderbegroeiing (kruidlaag). In de randen kunnen alle bijen voorkomen. Op niet al te zware bodems nestelen de bijen ook op open plekken langs de randen van deze begroeiingen verder ook in doodhout, en afgestoven holle stengels van zowel houtige als kruidachtige planten. In combinatie met andere landschapselementen zoals oude huizen, schuren, muren, zandige greppels, dijken etc. die vooral als nestgelegenheid worden gebruikt, kunnen onderstaande houtige begroeiingen druk door wilde bijen worden bezocht.
 
Tabel
Bosachtige begroeiingen Minimale afmeting
Bos: volgens de Nederlandse bosstatistiek een met boom- of struikvormende soorten begroeid terrein. De oppervlakte is tenminste 0,5 ha en 30 m breed  
Gesloten bos: bosterrein met een kronenprojectie groter dan 60%. In de praktijk een vrij schaduwrijk tot vrij donker bos. Bijen - Wilde bijen komen meestal aan de bosrand voor, maar in sterk lichtdoorlatende bossen ook in het bos zelf. Een voorbeeld hiervan is de bosbesbij, verder voornamelijk zandbijen en wespbijen. De oppervlakte is tenminste minimaal 0,5 ha en 30 m breed
Open bos: bosterrein met een kronenprojectie tussen de 20 en 60 %. In de praktijk een vrij zonnig tot schaduwrijk bos. Bijen - Deze bossen bieden al dan niet tijdelijk meer ruimte voor wilde bijen. De oppervlakte is tenminste minimaal 0,5 ha en 30 m breed
Bosachtige begroeiingen: terreinen die met bomen en struiken zijn begroeid, maar te klein of te smal zijn om volgens de bosstatistiek tot bos gerekend te kunnen worden, maar wel een bosachtig beeld hebben. Bijen - Wilde bijen komen meestal langs de randen voor, maar bij goed lichtdoorlatende bossen of met een sterk zijwaartse lichtinval ook tot midden in het bos. Kleiner dan 0,5 ha
Bosjes met opgaande bomen: kleine, niet langgerekte, met bomen en struiken begroeide terreinen en met een kronenprojectie van minimaal 50%. Bijen - zie hier boven. Afhankelijk van de soorten en het beheer minimaal 10 x 10m tot 30 x 50 m
Bossingel: een langwerpig gevormd terrein met opgaande bomen en struiken begroeid. En met een kronenprojectie van ten minste 50%. Bijen - Singels zijn door heesters (struiklaag) en kruidlaag vaak tamelijk dicht. Maar in het voorjaar kunnen vooral door zandbijen, wespbijen, gewone sachembij en rosse metselbij voorkomen. In de zomer langs de randen ook andere bijen. Minimaal 60 tot 100m lang in het algemeen. Breder dan 15-20m Smaller dan 30 meter.
Hakhout- en geriefhoutbosjes: bosjes die periodiek (7-15 jaar) worden afgezet. Op de zandgronden bestaat hakhout voornamelijk uit Zomereik en op de meer natte bodems uit Zwarte els en Es. Bijen - Zie bij bossingels. Hoewel op een terrein van 10 x 10 m een hakhoutbosje mogelijk is, is het met het oog op gefaseerd beheer een groter oppervlak wenselijk bijvoorbeeld 10 x 30 m.
Grienden: wilgenbossen die als hakhout worden beheerd. Bijen - De bijenpopulatie bestaat hier voor- namelijk uit zandbijen, wespbijen en hommels. Deze nestelen op hoger gelegen terreinen als dijktaluds De stronken staan ca. 1 m uit elkaar. In verband met gefaseerd beheer niet te klein oppervlak 10 x 10 m tot 10 x 30 m.
Houtsingels: houtsingels worden gekenmerkt door opgaande bomen met niet te zware kroonsluiting; als onderbegroeiing zijn struiken aanwezig; boom en struiklaag zijn vaak niet scherp te onder­scheiden. Bijen - Singels zijn door heesters (struiklaag) en kruidlaag vaak tamelijk dicht. Maar in het voorjaar kunnen vooral door zandbijen, wespbijen, gewone sachembij en rosse metselbij voorkomen. In de zomer langs de randen ook andere bijen. Bij zeer extensief beheer: 8-15 m breed
Matig extensief beheer: 4 - 8 m breed
Intensief jaarlijks snoeien: 2 - 4 m breed
Houtwallen: hakhout of middenbos op een aarde wal. Bijen - Vooral op open plekjes kunnen wilde bijen in de grond nestelen. Verder bevatten houtwallen veel doodhout. In combinatie met aangrenzende bloemrijke vegetaties zeer geschikt voor wilde bijen. Als voormalige veekering: 2-4 m breed.
Als voormalige wildwal: 4-15 m breed
Elzensingels: elzensingels groeien oorspronkelijk langs waterkanten en greppelkantjes. Bijen - Vooral in combinatie met bloemrijke zomen een vlieggebied voor honingbijen en hommels. Eenrijige singel als hakhout beheerd: 2 m op kniehoogte
Tweerijige singel; de kruin wordt vaak dubbel zo breed: hoogte 3 m op kniehoogte
Kleinschalig bosplantsoen:   in principe alle beplantingen met kenmerken van bosplantsoen. Bijen - Afhankelijk van de structuur en soortensamenstelling en regio kan het overgrote deel van de Nederlandse wilde bijen hier voorkomen. Breedte is afhankelijk van beheer, bodem en soorten oppervlak <100m2
Opslagbos en derivaten: bos en begroeiingen, die spontaan door natuurlijke aanzaaiing zijn ontstaan. Zie ook spontane bosvorming. Bijen - Afhankelijk van de structuur, ouderdom en floristisch diversiteit kunnen alle Nederlandse bijen hier voorkomen. Singelachtige begroeiingen vanaf 2 m breed
Bosachtige begroeiingen vanaf 15-30m breed.
Struweel, struweel achtige begroeiingen en afgeleiden daarvan (heggen)
Vooral in en rond struweel kunnen landelijk gezien het overgrote deel wilde bijen voor komen.
Struweel:1 tot 6 m hoge begroeiingen; in hoofdzaak samengesteld uit struikvormende soorten; met hier en daar lage, 6 tot 10 meter hoogte, bomen. 15 m breed
Gesloten struweel: in hoofdzaak aaneengesloten vegetaties bestaande uit 1 tot 6 meter hoge struikvormende soorten met weinig open ruimte voor kruidachtige begroeiing. 15 m breed
Open struweel: 1 tot 6 meter hoge vegetaties; bestaande groepen struikvormende soorten die geregeld door open plekken met kruidachtige begroeiingen worden afgewisseld. 15 m breed
Grazig struweel: is een variant op het open struweel, maar de open plekken bestaan in hoofdzaak uit een grazige begroeiing. Vooral op begraasde terreinen. Bijen - Bij overbegrazing zijn zomerbijen vaak afwezig of komen zeer weinig voor. 15 m breed
Randstruweel: struweel langs of rond bosachtige begroeiingen (in de vegetatiekunde wordt dat ook wel mantelvegetatie genoemd). Bijen - Vooral bij aanwezigheid van bloemrijke zoomvegetaties kunnen wilde bijen talrijk voorkomen. Worden echter te vaak te sterk begraasd. 8-15 m breed
Struweelachtige begroeiingen: beplantingen met kenmerken van struweel of van struweel zijn afgeleid.
Losse doornhaag: een losse doornhaag is een haag die in hoofdzaak uit struikvormende soorten bestaat die doorns en stekels bezitten. (o.m. meidoorn, sleedoorn en hondsroos) Eenrijige losse meidoorn hagen moeten om de ca 10-15 jaar worden afgezet. Bijen - De bloeiende hagen zelf worden vooral door honingbijen, hommel en zandbijen bezocht. Bloemrijke randen verlengen de vliegperiode. Oudere hagen bieden ook nestplaatsen, maar die wordt alleen benut in de buurt van bloeirijke, zomerbloeiende vegetaties. Zonder beheer kunnen deze hagen tot 8-10 m breed uitgroeien. Voor eenrijige heggen is met het oog op de fauna een kleinere afmeting wenselijk. 4 (3- 6) m breed
Scheerhaag: zeer dichte, strakke beplanting die minimaal een maal per jaar wordt geschoren. Groeit bij staken van het beheer tot brede losse haag uit. Bijen - Een bloeiende scheerhaag kan druk door honingbijen en hommels worden bezocht. Als er nestgelegenheid in de naaste omgeving voorkomt en er ook andere nectar en stuifmeel planten aanwezig zijn, worden scheerhagen ook door wilde bijen bezocht, In geschoren vorm: 0,5-1,0 m breed en 0,8-2,0 m hoog. Rond de langste dag ongeveer één meter bij optellen.
Randbeplanting met heesters en heesterrij:  Stroken met heesters langs een bos, bosachtige beplanting of als afscheiding. Bijen - Bloeiende heesters worden in ieder geval door honingbijen en hommels bezocht. Als er nestgelegenheid voorkomt ook veel door zandbijen en rosse metselbij. Afhankelijk van de soorten en plantverband.
zelfregulerend: 8 - 15 m breed
met extensief beheer: 8 m breed
met intensief beheer: 2-4(6) m breed
Gesloten heester beplanting planting: een struikbeplanting met een kroonsluiting groter dan 60% en vooral in het voorjaar met een kruidlaag of met bodembedekkers. Bijen - Hier kunnen vooral zandbijen, wespbijen, sachembijen en rosse metselbij voorkomen. Idem
Open heesterbeplanting: een struikbeplanting met een kroonsluiting tussen de 20 en 60% met onder de struiken een grazige tot kruidachtige onderbegroeiing of bodembedekkers; tussen de struiken een grazige tot ruige vegetatie. Bijen - landelijk kan het overgrote deel van de Nederlandse bijen hier voorkomen Idem
Kleinschalig bosplantsoen: in principe alle beplantingen met kenmerken van bosplantsoen. Bijen - Afhankelijk van de soortensamenstelling, de locatie en de regio kan in principe het overgrote deel van Nederlandse bijen hier voorkomen. Breedte is afhankelijk van beheer, bodem en soorten: <100m2
Koster, A. (1998). Ecologisch beheer van beplantingen in het stedelijk gebied. IBN-Rapport 369. Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek, Wageningen, pp. 349.
Koster, A. (2001). Openbaar groen op ecologische grondslag. Proefschrift Wageningen universiteit, pp. 264.