Aanlegfase bosplantsoen
Definitie aanlegfase-- Onder de aanlegfase van het bosplantsoen wordt de periode verstaan vanaf de bodembewerking tot en met het sluiten van de beplanting; een periode van ongeveer vier tot zes jaar. Deze aanplant (foto boven op zandige bodem) is hier een fase van en is waarschijnlijk in 1996 aan gelegd. De bodem is tamelijk dicht gegroeid. Een jaar later was het nog erger. De beplanting is hier in het beginstadium wat vertraagd in zijn ontwikkeling, maar na een aantal jaren was daar niets meer van de merken. (Naarden 1997)
Bodembewerking Plantafstand Kruidenbeheer Plantmateriaal
 
 
 
Bodembewerking
Bomen en struiken worden meestal op losse, opgebrachte grond aangeplant. Als dat niet het geval is, wordt de grond door middel van spitten, frezen of ploegen losgemaakt. Het is de vraag of dat altijd nodig is. Op de kleinste stukjes onbewerkte grond kunnen bomen en struiken groeien. Met uitzondering van de meest extreme milieus binnen de zeereep en enkele zandverstuivingen ontstaat er overal binnen enkele decennia bos en struweel zonder dat er ook maar een spa de grond in gaat (zie Spontane bosvorming via Home). Toch zijn er vaak redenen waarom de grond bewerkt zou moeten worden. Dit heeft niet te maken met het onvermogen van de natuur, maar veel meer met de functie die een beplanting binnen een bepaalde tijdslimiet moet kunnen vervullen, zoals windkering, afscherming of fysieke veiligheid.
Bodembewerking kan er dan toe bijdragen dat de beplanting sneller aanslaat en beter groeit. Een voordeel van bodembewerking is dat er gemakkelijker kan worden geplant en dat de groei van kruiden in het voorjaar enigszins wordt beperkt waardoor de beplanting meer kans van slagen heeft. Dat wil zeggen dat er minder planten dood gaan en men uiteindelijk bij dunning zelf kan bepalen welke planten er moeten verdwijnen.

In veel situaties is bodembewerking met het oog op natuurontwikkeling echter eerder een nadeel dan een voordeel. De waterhuishouding kan worden verstoord. Waar de bodem nog min of meer ongerept is, wordt het bodemprofiel verstoord en door het omwoelen van de bodem ontstaat er onder invloed van mineralisatie vaak een storingsvegetatie. Kruiden, die aan stabiele bodems gebonden zijn, krijgen dan voorlopig geen kans. Als de uitgangssituatie voor vegetatieontwikkeling moet worden verbeterd, moet er eerder worden gedacht aan natuurtechnische maatregelen zoals het ontgraven van de bouwvoor, dan aan frezen of ploegen.

 
 
bodembewerking: eisen en wensen Acties
a.

Beplanting zo natuurlijk mogelijk.

a. Niets doen; eventueel een afrastering plaatsen
b. Snelle groei i.v.m. beeldvorming is gewenst. b. Bodembewerking is gewenst: ploegen, spitten, frezen.
c. Voor slaging en snelle groei is bodembewerking in de volgende gevallen vereist: c.

Grasland: frezen en vervolgens ploegen; Kleibodems ploegen en eggen; Kleine oppervlakte spitten.

Zie Jager, 1994; van Tol, 1990
    Grasland op kleibodems  
    Voormalige kleiakkers
    Grasland op droge zandgrond
  . Bodems die door gebruik of berijden door bouwverkeer te sterk verdicht zijn
d. Schrale bovengrond is gewenst i.v.m. ontwikkeling kruiden. d. Bodem ontgraven of enkele jaren maaien en afvoeren gewas (maïs en Italiaans raaigras).
e. Ophogen met teelaarde is noodzakelijk. e. Afhankelijk van de soortensamenstelling is schrale tot voedselrijke bodem gewenst: humusarme zandige, zavelige en lichte klei bodems. (zie soortensamenstelling via home)
f. In verband met waterretentie zijn natte beplantingen gewenst. f. Bodem ontgraven tot even boven de grondwaterspiegel of niet ophogen. Eventueel overtollige grond gebruiken voor beplantingstypen voor drogere gronden.
g. Optimale voorwaarde voor relatief “snelle” natuurontwikkeling zijn gewenst. g. Natuurtechnische bodembewerking
Verdichting bodem voorkomen
Rijdend materieel met rupsbanden
Grondwerk verrichten met hydraulische graafmachine met gladde bak
Achteruitwerken van nat naar droog
      Rijsporen dichtschuiven en bodem aandrukken resultaat: een gladde maar niet geëgaliseerde bodem met hoogteverschillen tot 25 cm.
      Naar top pagina
Plantmateriaal
Wat voorop staat is dat het plantmateriaal zo inheems mogelijk moet zijn. Dat wil zeggen dat het materiaal uit zaad opgekweekt moet zijn dat afkomstig is uit de eigen streek. De zaadbron is meestal gelegen in zeer oude landschappelijke beplantingen zoals oude houtwallen en bosjes. Om met de grootst mogelijk zekerheid vast te stellen of het uitgangsmateriaal al dan niet inheems is, vereist gespecialiseerd onderzoek. Voor details hierover wordt verwezen naar Stichting Bronnen: Centrum voor verspreiding van inheemse, houtige gewassen (zie Links).

Het voordeel van inheems plantmateriaal is dat het ecologisch het beste in het landschap past en het beste bestand is tegen lokale omstandigheden. Zaad van een plantensoort die volgens de flora inheems is, maar oorspronkelijk afkomstig is uit het buitenland of uit een andere streek van het land, voldoet niet of veel minder aan het criterium “inheems”. Er hoeft echter geen heksenjacht ontketend te worden op enkele planten die oorspronkelijk niet van Nederlandse bodem zijn maar hier wel sinds eeuwen zijn ingeburgerd. Voorbeelden hiervan zijn de tamme kastanje en de robinia. Er zijn zeker situaties te bedenken waarbij deze planten goed tot hun recht komen zonder dat de natuur daarbij geweld wordt aangedaan. Bovendien spelen deze soorten geen rol bij de vertroebeling van het begrip “inheems”.

  Verrijkt plantsoen
  n de praktijk heeft men het ook over verrijkt plantsoen. Dit zijn plantsoenen die in hoofdzaak uit inheemse soorten bestaan, maar waaraan exoten zijn toegevoegd om de esthetische kwaliteit te verbeteren. Dit is louter een kwestie van smaak. Het valt buiten het bestek van deze Cd-rom om daarover een mening te formuleren. De argumenten die worden aangevoerd vragen echter wel om repliek. Men zou kunnen denken, dat onze inheemse soorten onvoldoende esthetische kwaliteiten bezitten om de omgeving te verfraaien. Zonder hiervoor op deze plaats argumenten aan te voeren, moet duidelijk worden gesteld dat de inheemse soorten in bloei, vruchtzetting, bladkleur en vorm niet onderdoen voor exoten. Door uitgebreide ervaring met de praktijk in Nederland kan eerder de conclusie worden getrokken, dat ontwerpers en beheerders in het algemeen niet in staat zijn geweest om de esthetische kwaliteiten van onze inheemse soorten te benutten. Daar in zat en zit in de eerste plaats het probleem, niet in het verschil tussen inheems en exotisch. Uiteraard zijn exotische planten in cultuurlijke en half cultuurlijke situaties (al dan niet in combinatie met inheemse soorten) zeer goed toe te passen.
  Kwaliteit beplanting
  Er is een belangrijke relatie tussen de kwaliteit en de conditie van het plantmateriaal en de mate van slagen van een beplanting (Jager en Oosterban, 1994; Jager, 1985). Uit het onderzoek naar aanleg en beheer van bosplantsoen is niet altijd even duidelijk geworden welk materiaal de voorkeur verdient. Iedereen is er het over eens dat de kwaliteit goed moet zijn, maar de kwaliteitscriteria zijn bij de beheerders nog steeds geen gemeengoed. In het algemeen kan men het beste tweejarig, verspeend (1+1) en goed beworteld plantmateriaal gebruiken dat voldoet aan de geldende kwaliteitsnormen. Er is een neiging om met te zwaar plantmateriaal te werken, omdat men het idee heeft dat men dan sneller resultaat bereikt. Hoe groter de plant, des te groter de overgang. Vooral als de situatie ongunstig wordt door droogte zijn te zware planten erg kwetsbaar.
  De conditie van het plantmateriaal is een tweede belangrijk aspect. Hoe korter de periode tussen rooien en aanplanten is en hoe zorgvuldiger er met het plantmateriaal wordt omgedaan, des te beter is de conditie van de plant en des te beter is de weerstand tegen droogte en concurrentie. De wijze waarop en de zorgvuldigheid waarmee geplant wordt, is de derde factor die de kans van aanslaan van de plant bepaalt.
  Voor welke plantmethode er ook wordt gekozen, de wortels moeten goed onder de grond zitten en contact maken met de bodem. De vraag is echter of in het kader van natuurontwikkeling standaard plantmateriaal moet worden gebruikt. Misschien is het beter om met verschillende kwaliteitsklassen te werken. Verschil in kwaliteit zal van invloed zijn op de groeisnelheid van de individuele planten en uitval bevorderen. Op plekken waar een zware nadruk op natuurontwikkeling wordt gelegd, is het niet logisch om met een standaard kwaliteit te werken. De enige standaard die dan wellicht van toepassing is, is de verscheidenheid in de uitgangssituatie ( Bodem, plantmateriaal, beheer etc.).
  Autochtoon plantmateriaal
  Autochtone planten zijn planten die zich sinds de laatste ijstijd op een natuurlijke wijze in een regio hebben gehandhaafd of ooit zijn aangeplant of uitgezaaid met strikt lokaal oorspronkelijk materiaal.
  De inheemse houtige soorten zijn goed aangepast aan de plaatselijke omstandigheden. Ze zijn het product van duizenden jaren evolutie.
  Ongeacht de betekenis moet het voorbestaan van oorspronkelijk genetisch materiaal worden gehandhaafd. Onder meer voor toepassingen die men misschien nu nog niet kent. Maar men moet ten alle tijde de mogelijkheid hebben om terug te vallen op het oorspronkelijke moedermateriaal.
  Bestaande relaties tussen flora en fauna worden waarschijnlijk het beste gewaarborgd met inheems materiaal. Extreem kleine verschillen kunnen leiden tot andere faunistische relaties. Zo deed Prof. dr. P. Zonderwijk experimenten met rupsen die hij uitzette op verschillende takken van dezelfde boom en op takken van andere bomen. Er zijn aanwijzingen dat biodiversiteit niet alleen afhangt van een plantensoort of zelfs ondersoort, maar ook van zeer kleine genetische verschillen in de plant zelf.
  Het aanplanten of uitzaaien van autochtone houtige soorten is noodzakelijk om op lange termijn het autochtoon genetisch materiaal te behouden.
  Literatuur -- Maes, B. [red], 2006. Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen. Boom, Amsterdam. 376 p.
  http://www.bronnen.nl/ .
Naar top pagina
 
 
Plant afstanden
Natuurlijke selectie
In natuurlijke omstandigheden kunnen zaailingen van bomen en struiken als pioniervegetatie de bodem bedekken als haren op een hond. Zonder dat de mens daar aan te pas komt, ontstaan dan toch volwaardige bomen en struiken. Dit proces heeft te maken met complete variatie. Bij een onbewerkte bodem waarin allerlei microgradiënten kunnen voorkomen, is de uitgangspositie voor de ene plant net iets beter dan voor een plant iets verder op. Planten met eigenschappen die het beste bij de plek passen, groeien het beste en houden het ook het langste vol. Maar uiteindelijk blijven er van de honderden of duizenden planten per are enkele planten over. Dit proces kan zich binnen enkel decennia voltrekken. Kortom onder natuurlijke omstandigheden is het niet van belang hoe dicht planten bij elkaar groeien. In principe geldt dit ook voor beplantingen waarvan het plantmateriaal van uiteenlopende genetische samenstelling is.
Door allerlei storende factoren werkt het selectiesysteem in plantvakken niet meer op de wijze zoals dat onder natuurlijke omstandigheden gebeurt. In de eerste plaats heeft er al een selectie van het plantmateriaal en het assortiment plaatsgevonden, in de tweede plaats is het planten zelf als een storing van enorme omvang te zien. Microverschillen worden geëlimineerd waardoor de eindfase van selectie soms tientallen jaren wordt uitgesteld. De menselijke hand moet er aan te pas komen om de planten door middel van dunnen de ruimte te geven, die ze nodig hebben. Dunnen kost echter niet alleen veel geld, maar werkt bovendien zeer verstorend en dat verdient dus niet de voorkeur.
 
 
Mogelijkheden voor plantafstanden   Plantafstand
a. Beheer kan optimaal worden afgestemd op de ontwikkeling van de beplantingen en kruidlaag. Plantafstand in principe niet belangrijk. In verband met storing van de bodem minimaal 1,0 x 1,0 m.
b. Een stinzenachtige kruidlaag is op korte termijn (10-15 jaar) gewenst Plantafstand 1,25 x 1,25 m tot 1,5 x 1,5 m.
c. Een grazige, een heterogene of een ruige, zich in hoofdzaak van nature ontwikkelende kruidlaag is gewenst. Plantafstand 1,5 x 1,5 m tot 2,0 x2,0 m.
d. Beplantingsbeeld is op vrij korte termijn gewenst, maar er moet ook meer ruimte zijn voor natuurlijke ontwikkeling. Plantafstand 2.0 x 2,0 tot 3,0 x 3,0 m of meer. Eventueel met onregelmatige plantafstanden.
e. Gevarieerde plantafstanden. Pleksgewijs 1,25-1,25 tot 3,0 x 3,0 m .
f. Open struweelbeplanting is gewenst Groepsgewijs aanplanten met plantafstanden 2,0 x 2,0 m met minimale tussenruimte tussen de groepen van 10 tot 15 m
g. Een bepaald beplantingsbeeld is gewenst, maar moet zelf regulerend zijn. Uitval is geen probleem en natuurlijke ontwikkeling wordt zeer op prijs gesteld. Plantafstand struiken 3-8 m, bomen 8 tot 10 m. Eventueel combineren met pleksgewijs gevarieerd aanplanten. Ontwikkeling zal te vergelijken zijn met braakliggende terreinen.
Naar top pagina
 
Beplantingsafstand voor verschillende kruidlagen
Middenbosflora of stinzenflora
Plantafstand 1,25-1,5 m -- Een plantafstand van 1,25 tot 1,5 m, in combinatie met twee tot drie jaar schoffelen, leidt in drie tot vier jaar tot sluiting van de beplanting. De meeste andere kruidachtige planten krijgen dan geen kans om zich te ontwikkelen of te vestigen. De beheerder heeft daarna zijn handen vrij om dan met of zonder introductie van kruidachtigen de vegetatie in een bepaalde richting te sturen. Vooral als de ingrepen na de eerste dunningen geleidelijk plaatsvinden, kan er een milieu ontstaan met relatief weinig dynamiek. In een periode van 6 tot 10 jaar kunnen er dan ook kruiden geïntroduceerd worden van oude bossen, bijvoorbeeld bosanemoon, vingerhelmbloem en daslook (stinzenplanten). Uiteraard is dat minder natuurlijk en te zien als tuinieren, maar als dat met beleid en vakmanschap gebeurt, is daar binnen de bebouwde kom niets op tegen.
Indien men binnen een termijn van ca. 10 jaar resultaten wil hebben waarin soorten van oudere bossen een rol spelen is deze methode aan te bevelen. Bij grotere plantafstanden kan men in principe op dezelfde wijze te werk gaan, alleen zal men het schoffelen een aantal jaren langer moeten volhouden. Maar omdat van onkruidbestrijding meer een verstorende dan een stabiliserende invloed uitgaat, zal het ook langer duren voordat er voldoende rust in de beplanting aanwezig is om soorten van oude bosmilieus te introduceren. Als de mogelijkheden daarvoor aanwezig zijn is het voordeel van een ruimere plantafstand dat er minder hoeft te worden gedund. Opmerking: als we planten introduceren denken we al snel aan tuinieren. Duurzaamheid zal leiden tot halfnatuurlijke vegetaties. Vooral in parkachtige situaties kan dit leiden tot vegetaties die dezelfde status kunnen krijgen als stinzenvegetaties.
 
 
Heterogene kruidlaag
Plantafstand 1,5-2,0 m -- Verschillende beheerders geven op grond van ervaring de voorkeur aan een plantafstand van 1,5 tot 2.0 m. Bij deze afstand zal het één of twee jaar langer duren voordat de beplanting tot sluiting is gekomen. In het 5e of 6e jaar zal er dan moeten worden gedund. Naarmate de ingrepen grover worden, wordt de kruidachtige vegetatie als totaal ruiger. Maar vooral bij de grotere plantsoenen zijn er ook steeds plekken die op een of andere wijze van deze verruiging verschoond blijven. Er zullen plekken bij zijn met natuurlijke uitval waardoor er pleksgewijs niet of nauwelijks hoeft te worden gedund. Op de ene plek is er meer dynamiek, op de andere plek is er meer rust. Vooral na de eerste dunning waarin gaten tot twee meter vallen, zullen de ruigere planten van licht en half schaduw de overhand hebben. Bij het opnieuw sluiten van de begroeiing wordt dat ook weer voor een groot gedeelte terug gedrongen.
Bij een plantafstand van 1,5 bij 2,0 m, waarbij de beheerder de ontwikkeling van de beplanting en de kruidachtige vegetatie volgt, zijn er zeker nog kansen om op de meest gunstige plekken soorten van oude bossen te introduceren. In principe blijven deze mogelijkheden steeds aanwezig, maar naarmate de plantafstand groter wordt, zal het moment van introduceren van deze soorten steeds langer gaan duren. Maar de kans dat soorten zich spontaan vestigen wordt met het verstrijken van de tijd ook steeds groter.
 
Grazige, heterogene en ruige vegetaties
Plantafstanden ruimer dan 2m -- Bij een plantafstand van meer dan 2 m kan men zeker nog invloed uitoefenen op de samenstelling van de kruidachtige vegetatie. Als men echter niet volledig tot tuinieren wil vervallen, zal men bij deze plantafstanden moeten accepteren dat de natuur grotendeels de soortensamenstelling en vegetatiestructuur zelf bepaalt. Schoffelen totdat de beplanting is gesloten is niet alleen een kostbare aangelegenheid, maar voortdurende betreding van de bodem kan ook zoveel storende invloed hebben, dat bepaalde bossoorten lange tijd geen kans krijgen. Vooral als er enige uitval is worden de gaten groot en dan wordt het schoonhouden van de bodem een gevecht tegen de bierkaai. Ook bij deze grote plantafstanden zullen er ongetwijfeld nog plekken zijn waar soorten met een geringe concurrentiekracht geïntroduceerd kunnen worden en daarna zelfs stand kunnen houden. Maar voor de gemiddelde burger zal dat niet of nauwelijks iets veranderen aan het totale beeld.
Bij plantafstanden die ruimer zijn dan twee meter heeft spontane vestiging en ontwikkeling van soorten de meeste prioriteit. Er kunnen soorten worden ingezaaid en aangeplant, maar de mogelijkheden daarvan worden eenzijdig gedicteerd door de natuurlijke ontwikkeling van de kruidachtige vegetatie. Bij plantafstanden boven de 2 tot 3 meter dient er wel kritisch naar de doelstelling van de beplanting te worden gekeken. Als men in hoge mate of een vrijwel volledig natuurlijke ontwikkeling van de beplanting prefereert, is een plantafstand van 3 meter eerder te klein dan te groot. Indien er doelstellingen worden beoogd, waarbij in verband met de beeldvorming een meer begeleidende ontwikkeling gewenst is, dan is men waarschijnlijk beter af met kleinere plantafstanden die in ieder geval binnen de 3 of zelfs binnen de 2 meter liggen.
 
Andere motieven voor de plantafstand
Plantafstanden hangen ook af van functies of wensen. Een singel die enige bescherming moet bieden tegen de wind vraagt om een relatief dichte plantafstand. Op normale vruchtbare bodems is een plantafstand van 1,25 - 1,50 m hiervoor een goede uitgangssituatie. Indien dunningen op tijd plaatsvinden, zijn er verschillende mogelijkheden aanwezig om de kruidlaag te beïnvloeden. Men kan dan kiezen tussen een volledig natuurlijke of een meer gestuurde ontwikkeling. Op plekken waar afscherming geen rol speelt een waar men alleen de structuur of de hoogte van de spontane vegetatie wenst te regelen, kunnen plantafstanden extra groot zijn en zelfs die omvang bereiken dat dunning in de eerste tien jaar of zelfs helemaal niet meer noodzakelijk is.
.Als het beplantingsbeeld in het begin al een rol speelt, hoort bij zulke plantafstanden een uitgekiend beheer. Enerzijds moeten beplantingen duidelijk groei vertonen, wat een zeker onkruidbeheer vraagt, anderzijds is het onzin of onbegonnen werk om de bodem integraal schoon te houden. Er zal dan een vorm gevonden moeten worden die het midden houdt tussen plantsoenbeheer en graslandbeheer. Wat bij dit systeem als nadeel ervaren kan worden, maar zeker geen nadeel hoeft te zijn, is dat men vrijwel volledig is overgeleverd aan de grillen van de natuur. Een ander nadeel kan zijn dat, hoe meer men aan de natuur overlaat, hoe langer het kan duren voordat een bepaald beeld is bereikt. Vooral op plekken waar op korte termijn een bepaald beeld gewenst of noodzakelijk is, zal men kritisch moeten omgaan met ruime plantafstanden.
 
Gevarieerde plantafstanden
Als we natuurontwikkeling beogen, is het eigenlijk zeer onnatuurlijk om aan te planten en al helemaal om dat met vaste plantafstanden te doen. Op plaatsen waar houtige soorten zich spontaan ontwikkelen, ontstaan vaak in het begin al de mooiste beelden op plekken waar de afstand tussen de planten onregelmatig is. Op de ene plek staan er tien jonge bomen op een vierkante meter, op de andere plekken groeien struiken solitair. Dit proces van bos- en struweelvorming is vaak nog veel duidelijker te zien in het stedelijk gebied dan in de natuurgebieden daar buiten.
De natuur is moeilijk na te bootsen, maar ze kan wel inspireren. Vooral op grotere terreinen zou een gevarieerde plantafstand aan te bevelen zijn. Niet alleen vanwege allerlei milieuverschillen, maar ook voor de variatie in het beeld. Pleksgewijs zou er dan helemaal niet aangeplant hoeven te worden en de ontwikkeling overgelaten kunnen worden aan de natuur. Vooral als dit gepaard gaat met natuurtechnische bodembewerking zou de spontaan ontwikkelde houtige vegetatie het in alle opzichten nog wel eens van de beplanting kunnen winnen.
 
Open (struweel) beplantingen

Voor de plantafstand gelden in principe dezelfde richtlijnen als voor gesloten beplantingen, met dien verstande dat het gedeelte dat men open wenst te houden niet wordt beplant. Op de meeste zachte bodems echter en zelfs op verschillende stenige bodems blijft de begroeiing niet vanzelf open. In de natuur blijft de begroeiing open door begrazing. In grotere groengebieden kan men grazers introduceren. Op kleinere terreinen vooral in de stad, zullen kunstgrepen nodig zijn om de begroeiing permanent open te houden. Het meest voor de hand liggende beheer is maaien op plekken waar geen opslag is gewenst. Er dient groepsgewijs aangeplant te worden met plantafstanden van 2,0 x 2,0 m en bij een natuurlijke ontwikkeling met minimale tussenruimte tussen de groepen van 10 tot 15 m.

 
 
Kruidenbeheer en onkruidbestrijding in de aanlegfase
Het grootste probleem in het beheer van bosplantsoen en andere beplantingen wordt gevormd door de ongewenste kruiden. Vanuit een eeuwenoude cultuur waarin (on)kruiden met vuur en zwaard zijn bestreden, bestaat er nog steeds een vermeende noodzaak spontaan opgroeiende kruiden te bestrijden. Is het niet uit oogpunt van concurrentie dan is het wel het vanuit het nastreven van het zogenaamde netheidsbeeld waaraan moet worden voldaan.
Als bodem en de keuze van de soorten goed op elkaar zijn afgestemd en aan de andere bovengenoemde punten is voldaan, is onkruidbestrijding tijdens de aanlegfase in de meeste gevallen overbodig. De jonge planten groeien weliswaar wat langzamer, maar voor de planten zelf is dat geen ramp. Plaatselijk kan er sprake zijn van (on)kruiden als kweek, haagwinde of enkele andere klimmende planten. In die gevallen kunnen selectieve maatregelen gewenst zijn. Toch doen zich situaties voor waarin de spontane groei van kruiden op zijn minst gereguleerd moet worden. Dat kan voorkomen op sterk gestoorde bodems waarin sommige kruiden wel twee meter hoog kunnen worden. Tevens is dit het geval op bodems die zeer droogtegevoelig zijn en in situaties waarin beplantingen binnen 10 jaar aan een bepaald (natuur) beeld moeten voldoen. Op grond van onderzoek kan worden uitgegaan van de eisen en wensen in Tabel Kruidenbeheer (Zie inhoudsopgave).
 
Eisen en wensen in de aanlegfase Acties
a. Zo natuurlijk mogelijk. Niets doen, hooguit de randen uitmaaien. De sluiting van de beplaning verloopt i.v.m. wortel- en lichtconcurrentie vaak zeer traag.
b. Zo natuurlijk mogelijk, maar kruidlaag mag niet boven de beplanting uitgroeien. Uitmaaien. De sluiting van de beplanting verloopt i.v.m. wortelconcurrentie vaak zeer traag.
c. Een bepaald natuurbeeld is gewenst; maar storingssoorten en ruigte moet worden voorkomen. Regulatie/bestrijding van ongewenste soorten is gewenst.
d. Snelle sluiting van de beplanting. De eerste 2 tot 3 jaar schoffelen.
e. Een stinzenachtige kruidlaag is op korte termijn (10-15 jaar) gewenst. Bodem de eerste 2-4 jaar schoonhouden of selectief kruidenbeheer.
 
Introductie van kruiden met sterke invloed op de soortensamenstelling
In het geval dat men de kruidachtige vegetatie sterk in een bepaalde richting wil sturen of begeleiden, moeten er vaak soorten worden geïntroduceerd. Storingssoorten en vergrassing wil men vanuit het oogpunt van beeldvorming en concurrentie zoveel mogelijk tegengaan, zodat geïntroduceerde soorten een voorsprong hebben op de van nature aanwezige soorten. De praktijk van het stedelijk groen is dat men door 2 tot 3 jaar schoffelen ongewenste kruidengroei tegengaat en vervolgens, voor of na de eerste dunning, soorten uitzaait of aanplant. Bij dichte plantafstanden van 1,25 - 1,50 m zal, bij het sluiten van de vegetatie en na de eerste dunning, het kruidenbeheer in hoofdzaak langs de randen plaatsvinden. Het beheer onder en tussen de beplanting zal zich dan beperken tot het verwijderen van storingssoorten.
 
Zo snel mogelijke sluiting van de beplanting zonder introductie kruidachtigen
Het streven kan zijn een beplanting zo snel mogelijk gesloten te laten zijn, waarna kruiden zich spontaan mogen vestigen. Het gaat er in dit geval alleen om dat de beplanting een ruime voorsprong krijgt op de spontane ontwikkeling van de kruidachtige vegetatie. Bij een plantafstand van 1,25 - 1,5 m moet men dan twee jaar schoffelen bij ruimere plantafstanden en doorgaan met schoffelen totdat beplanting goed aan de groei is. Daarna is eventueel alleen randenbeheer nog nodig.
 
Halfnatuurlijke ontwikkeling van kruidlaag met relatief snelle groei van de beplanting
In principe wil men dat de kruidlaag zich zo natuurlijk mogelijk ontwikkelt, maar men wil eerst de zekerheid hebben dat beplanting aan de groei gaat. Door 1 tot 1,5 jaar te schoffelen, dat komt er op neer schoffelen totdat de beplanting duidelijk groei vertoont, krijgt de beplanting een aanzienlijke voorsprong op de groei van de kruiden. Zodra de planten goed aan de groei zijn, kan de onkruidbestrijding worden stopgezet. Schoffelen kan eventueel worden gecombineerd of worden vervangen door uitmaaien, maar uitmaaien is wegens beschadiging aan de struiken en het stimuleren van de grassen in de aanlegfase niet altijd even gunstig.
 
Natuurlijke ontwikkeling met maaibeheer
Er is ook een mogelijkheid om de ontwikkeling van de kruidlaag vanaf het begin geheel aan de natuur over te laten. Meestal kan een groot deel van de planten de concurrentie van de kruidachtigen doorstaan. Uitval is vanuit het oogpunt van natuurontwikkeling eerder positief dan negatief. Uiteindelijk gebeurt er in de natuur hetzelfde. Vanuit dichte en vaak ruige kruidachtige vegetaties zien bomen en stuiken kans zich te ontwikkelen. Dit is meer gewoon dan uitzonderlijk. Juist om die reden worden er in natuur en recreatiegebieden/terreinen grote grazers ingezet. Het zijn niet de kruiden die de houtige soorten in hun ontwikkeling belemmeren, meestal is het andersom. Of deze methode ook in de directe woonomgeving kan, hangt van de omstandigheden en van het publiek af. Van dit systeem zijn in ieder geval positieve voorbeelden bekend.
 
Natuurlijke ontwikkeling met niets doen
Bij een volledige natuurlijke ontwikkeling van een vegetatie bestaat de vrees dat een groot deel van de beplanting zal uitvallen. Dat hangt echter af van de kwaliteit van het plantmateriaal en de bodem (zie linken: Bodembewerking en Plantmateriaal). In het algemeen valt de uitval erg mee. Hier en daar kunnen grote gaten ontstaan, maar vanuit het oogpunt van natuurontwikkeling kan dit juist zeer gewenst zijn.
In kleine stadsplantsoenen is deze methode niet aan te bevelen. Vooral met kleinere beplantingsvakken op plekken waar ook nog een kans bestaat op (mechanische) storing, is er kans dat er uiteindelijk niets van de beplanting overblijft. Dit extreme voorbeeld is waargenomen bij een intensief gebruikt speelveld midden in een woonwijk van Schiedam-Noord. In diverse beplantingsvakken, die regelmatig werden betreden door spelende kinderen en waarin veel struiken werden vertrapt, bleef de groei achterwege en vielen er veel planten uit. Toch is na 8 - 9 jaar een deel van de beplanting goed aan de groei gekomen, maar de kans op volledige uitval was hier sterk aanwezig. Op een andere plek in dit stadsgedeelte van Schiedam groeide de beplanting, met enige vertraging van de groei in het begin, normaal uit onder vrijwel gelijke omstandigheden maar zonder mechanische storing.
 
Onkruidbestrijding in het algemeen
Voor de snelste groei en de snelste sluiting van de beplanting lijkt schoffelen nog steeds de meest efficiënte en milieuvriendelijkste methode. Behalve schoffelen bestaan er nog 10 tot 15 andere methoden om de groei van kruiden tijdens de aanlegfase te reguleren. Sommige van deze methoden zijn uit oogpunt van milieubelasting te ontraden en passen in geen enkel opzicht bij natuurlijk of ecologisch groenbeheer. Een aantal methoden vertraagt de groei van kruiden, hebben een zeer beperkte werking of dragen bij aan verstoring van het milieu van de kruidachtigen. Er zijn methoden die de beplanting beschadigen en methoden die de concurrentie bevorderen. Alle methoden hebben het voordeel dat ze de groei van kruiden in de aanlegfase enige tijd tegengaan. Sommige daarvan zijn duur, andere goedkoop.
Onderzoek naar alternatieve bestrijdingsmethoden werd meestal slechts op beperkte schaal uitgevoerd. Vanuit de maatschappelijke wens chemische onkruidbestrijding tegen te gaan, werden conclusies soms te snel getrokken. Weinig methoden zijn aangeslagen en methoden die in de jaren tachtig als alternatieven werden gezien, blijken in traditionele plantsoenen nauwelijks te werken. Voor beplanting waarmee natuurontwikkeling wordt beoogd, hebben vrijwel al deze methoden een averechtse werking. Schoffelen in de beginfase, eventueel gevolgd door voorzichtig uitmaaien nog voordat de beplanting is gesloten, lijkt op dit moment de meeste bevredigende en meest zekere methode. Maar zoals eerder gezegd; onkruidbestrijding is voor de groei van houtigen meestal niet noodzakelijk. Voor kleinere oppervlakten waar het beeld een belangrijke rol speelt, kan dat worden gecombineerd met uitsteken of selectief wieden van de ergste storingssoorten zoals kleefkruid, ridderzuring, akkerdistel en grote brandnetel.

Naar top pagina