Introductie van kruiden
Uit ecologische overweging en is introductie van kruiden een overbodige zaak. In vrijwel ieder milieu groeien kruiden spontaan en wel die kruiden die het beste aan de plaatselijke milieu - omstandigheden zijn aangepast. Toch kunnen er redenen zijn om soorten te introduceren (zie onder Argumenten voor introductie). Vanaf de aanlegfase kunnen op ieder moment kruiden worden ingebracht.
Niet alle kruiden zijn echter geschikt om direct te worden geïntroduceerd. Bij de aanleg kunnen bijvoorbeeld pionierplanten als klaproos en herik en sommige landbouwgewassen als Phacelia worden uitgezaaid. Er kan dan niet meer worden geschoffeld, hooguit selectief gewied. Op niet al te arme bodems, waar een niet al te weelderige vegetatie te verwachten is, kunnen ook tweejarige soorten als toortsen en kaardenbollen worden uitgezaaid. Ook soorten als dagkoekoeksbloem en look zonder look kunnen bij een selectief beheer al snel ingezaaid worden. Als het om echte bossoorten gaat of om soorten die minstens halfschaduw nodig hebben, kan de introductie van nieuwe beplantingen beter worden uitgesteld. Het milieu is pas geschikt als de beplanting wat is uitgegroeid en de bodem wat tot rust is gekomen. Bovendien moeten er geen al te storende werkzaamheden meer plaats vinden.
Afhankelijk van de groeisnelheid en bij plantafstanden tussen 1,25-1,5 m ligt het meest gunstige moment voor introductie van kruiden tussen de 6 en 10 jaar. Bij grotere plantafstanden, vooral als daar ook nog eens bij gedund moet worden, moet er een aantal jaren bij worden opgeteld. Het juiste moment is, wanneer de begroeiing gesloten is, er geen grote, integrale dunningsbeurt meer hoeft plaats te vinden en als er voldoende licht op de bodem valt.
 
Motivatie introductie kruiden
Soortbehoud
Het kan zijn dat op grond van floristisch onderzoek vaststaat dat bepaalde planten uit de omgeving zijn verdwenen, die op of in de naaste omgeving van de betreffende plek zouden kunnen groeien. Bij veel soorten is de kans groot dat ze nooit of pas na zeer lange tijd de beplanting zullen bereiken. In die gevallen kan introductie van soorten leiden tot een zeker herstel van de plaatselijke flora.
plaatsvervangende milieus
Heel vaak komen op verloren plekjes in en om de stad nog bijzondere soorten voor. Een voorbeeld is bosanemoon in een berm waar werkzaamheden zijn gepland of een koningsvaren in een bosje dat gedoemd is te verdwijnen. Nieuwe of bestaande bosjes in de omgeving van deze bedreigde planten bieden een alternatieve standplaats om plaatselijk bedreigde soorten veilig te stellen.
esthetisch motief
Er zijn geen criteria te bedenken om een brandnetel mooier of lelijker te vinden dan bijvoorbeeld een bosanemoon of speenkruid. Toch is het zo dat veel mensen de bossen in Zuid-Limburg mooier vinden dan de brandnetelbossen die elders in verschillende streken in ons land voorkomen. Het is overduidelijk dat de stinzenflora in het noorden van ons land in het voorjaar aanmerkelijk hoger gewaardeerd wordt dan in de zomer, als de bonte mengeling van voorjaarsbloemen plaats heeft gemaakt voor min of meer ruige begroeiing. Ook is in praktijk is gebleken dat er talloze burgers en gebruikers zijn, die een bloemrijke beplanting hoog waarderen. Niet zo zeer omdat ze geen begrip zouden hebben voor andere vormen van begroeiingen, maar juist ook om het bijzondere en soms uitbundige karakter van bloemrijke bosvegetaties. Om deze stelling politiek uit te drukken: het is een vorm van groen waarmee hoog gescoord kan worden. Vanuit het standpunt oogpunt variatie in het stedelijk groen te willen hebben, is het zeker een argument dat pleit voor het introduceren van soorten.
bevorderen fauna
Iedere vegetatie biedt een leefgebied voor een eigen fauna. Het is zeer de vraag of de rijkdom aan fauna kunstmatig opgepept dient te worden. Toch is het vaak zo dat insecten zoals vlinders en hommels voor burgers een extra dimensie aan het groen geven. Juist in die periode dat vogels ophouden met zingen, zijn het deze faunistische elementen die nog gemakkelijk zijn waar te nemen. Wel is daarvoor een bloemrijke, nectar en stuifmeel producerende vegetatie vereist. Vanuit dit gegeven is introductie van soorten te rechtvaardigen.
bevorderen van de dracht
Dracht is een begrip dat in de bijenteelt wordt gebruikt om gebieden aan te duiden waar honingbijen stuifmeel en nectar kunnen verzamelen. Bijenteelt is de laatste decennia steeds meer een hobby geworden die in het stedelijk gebied wordt uitgeoefend. Daarbij komt nog eens dat honingbijen tot op heden een zeer nuttige, zelfs onontbeerlijke rol spelen bij de bestuiving van onze eetbare gewassen. Het bevorderen van de dracht houdt meestal ook het bevorderen van de fauna in. Dit is eveneens een goed argument voor introductie van planten.
Educatie
Opvallend bloeiende planten hebben een grote aantrekkingskracht op mensen en kunnen een middel zijn om oud en jong publiek bij natuur en milieu te betrekken. Het kan een stimulans zijn om in de eigen tuin of de tegeltuin voor de deur met zowel inheemse als met uitheemse planten te werken. Het kan een aanleiding zijn om burgers bij hun leefomgeving te betrekken. In steden en dorpen gebeurt dat steeds meer. De aanwezigheid van bloeiende planten maakt niet alleen de straat mooi, maar bevordert ook de sociale contacten. Zo hebben bloemrijke begroeiingen, die de bewoners aanspreken, een reeks van functies die bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving.
 
Wijze van introductie
De meeste planten kan men zaaien, maar sommige soorten kunnen beter worden uitgeplant. Zo zijn stinkende gouwe, daslook en look zonder look soorten die gemakkelijk kunnen worden uitgezaaid. Soorten als speenkruid en bosanemoon kunnen beter worden aangeplant. In principe kunnen de planten door elkaar worden gezaaid. De natuur selecteert, maar het is de vraag of dat in dit geval gunstig is. Als planten gescheiden worden uitgezaaid kunnen de soorten zich eerst ontwikkelen. Als ze daarna zaden vormen en zaadverspreiding gaat plaatsvinden, ontstaat er van nature vanzelf een meer natuurlijke samenstelling van de geïntroduceerde plantensoorten.
Te verwachten resultaten
Verschillende soorten zullen een jaar na de introductie al een goed resultaat te zien geven. Op niet al te zware bodem, kan look zonder look en stinkende gouwe dan al grote oppervlakten in beslag nemen, als ze niet te dun worden uitgezaaid. De vraag is natuurlijk of het allemaal zo snel moet. Vaak doet men er verstandig aan om kleine hoeveelheden pleksgewijs te introduceren. Bij daslook duurt het drie jaar voordat de soort goed tot bloei komt, maar vanaf het zesde jaar neemt deze plant vrij snel toe. Uitgaande van enkele planten kan daslook na ca. 10 jaar zich tot 100 m 2 hebben uitgebreid. Van bosanemoon gaat groei en verspreiding aanzienlijk langzamer. Uitgaande van één plant (0,01m 2 ) kan het 20 jaar duren voordat die 5 vierkante meter bedekt. Vingerhelmbloem kan, omdat het zaad door mieren wordt verplaatst, zich zeer snel door een tuin of een plantsoen verspreiden. Uitgaande van enkele planten kan deze soort binnen in een straal van 10 tot 20 m na tien jaar overal aanwezig zijn.
De beste strategie is een plan te maken om op sommige plekken soorten te introduceren, die binnen redelijke tijd tot resultaten leiden en op andere plaatsen de soorten, die veel tijd nodig hebben om aan de beoogde doelstelling te kunnen bijdragen.
 
kruidlagen ingedeeld naar beheer en structuur: beschrijving en enkele soorten die kunnen voorkomen
Cultuurlijk: Begroeiingen waarin soorten zijn geïntroduceerd of zich spontaan hebben gevestigd, maar die alleen met bijzondere beheermaatregelen in stand kunnen worden gehouden; dus door wieden, schoffelen of uitmaaien.
Halfcultuurlijk/ Halfnatuurlijk: Begroeiingen waarin soorten zijn geïntroduceerd en/of spontaan zijn gevestigd die zich zonder extra of bijzondere beheermaatregelen kunnen handhaven en uitbreiden. Van oorsprong kan deze kruidlaag cultuurlijk zijn, maar in de loop der jaren kan deze zich ontwikkeld hebben tot een natuurlijk ogende begroeiing. Afhankelijk van de intensiteit van het beheer en de geïntroduceerde soorten zal het accent op halfcultuurlijk of halfnatuurlijk liggen.
Natuurlijk: Begroeiingen die zich zonder menselijk ingrijpen ontwikkelen.
Stinzenflora / Middenbosflora: Cultuurlijke tot natuurlijke begroeiingen van overwegend vroeg bloeiende en laagblijvende (tot 0,5m) soorten. Meestal spontaan: speenkruid. Zowel spontaan als ingezaaid: geel nagelkruid, robertskruid, stinkende gouwe etc. Meestal aangeplant: bosaardbei, bosanemoon, boshyacint, bosvergeetmijnietje, daslook, donkere ooievaarsbek, gevlekte aronskelk, groot heksenkruid, gulden boterbloem, holwortel, lievevrouwebedstro, maagdenpalm, maartsviooltje, muskuskruid, vingerhelmbloem, gewoon sneeuwklokje, boeren krokus, wilde narcis en winteraconiet. Beplanting en kruidlaag vragen in het begin veel begeleiding. Selectief wieden en uitmaaien. Na verloop van jaren kan worden volstaan met extensief beheer.
Grazig: Meestal halfnatuurlijke begroeiingen waarin de grassen de overhand hebben met of zonder bloeiende graslandplanten (paardenbloem, pinksterbloem, stinzenplanten, etc.). Afhankelijk van de lichtinval en de dichtheid van de zode kunnen ook planten van de andere groepen aanwezig zijn. Er kan worden volstaan met uitmaaien.
Zomergroene, halfhoge kruidlaag: Meestal halfcultuurlijke tot halfnatuurlijke ca 0,30-0,8 m hoge, veelal gesloten begroeiingen. Voorkomende soorten zijn: echte koekoeksbloem, kleine springbalsemien, groot heksenkruid, brede stekelvaren etc. Deze begroeiing kan eventueel worden uitgemaaid. Varens moeten met rust gelaten worden.
Ruig: Halfcultuurlijke tot natuurlijke, halfhoge tot hoge (0,6-1,5m), al dan niet zomergroene begroeiingen. Voorkomende soorten zijn: fluitenkruid, grote brandnetel, groot hoefblad. Indien nodig deze begroeiing uitmaaien.
Heterogeen: Halfcultuurlijke tot natuurlijke begroeiingen die uit verschillende van de bovengenoemde aspecten is samengesteld. Deze begroeiing kan sterk in hoogte verschillen. Indien nodig uitmaaien.
Bodembedekkend: Meestal halfcultuurlijke / halfnatuurlijke (zelden natuurlijke), gesloten, zomergroene, halfhoge begroeiingen die door één of enkele soorten wordt gedomineerd; onder meer door zevenblad, gele en gevlekte dovenetel. Deze begroeiing wordt nogal eens aangeplant om ongewenste kruidachtige soorten tegen te gaan. In dit verband dient ook klimop te worden genoemd. Meestal zeer selectief wieden en uitsteken van houtopslag.