Beplantingen met geïntroduceerde zomergroene bodembedekkers
Bij foto; Gele dovenetel als bodembedekker in Amsterdam-Noord
Iedere gesloten kruidlaag is eigenlijk als bodembedekker op te vatten. Bodembedekkers worden vaak gebruikt om andere ongewenste kruiden te onderdrukken. Ze kunnen ook worden gebruikt om de variatie in het groen te vergroten. Het hangt verder van de bodem in combinatie van lichtfactoren af of een plant wel of geen bodembedekker kan zijn. Op kleiige tot lemige bodem doet gele dovenetel het goed. Op armere bodems is dat effect veel minder, daar maken bosaardbeien schijnaardbei meer kans. Bodembedekkers zijn echter geen wondermiddel. Alleen al het feit dat de meeste bodembedekkers niet van nature in de betreffende beplanting opkomen, is een teken aan de wand.
Op deze pagina gaat het om essen-iepenbosachtige beplantingen. aanleg

Arme bodems  
Het gebeurt nogal eens dat de groei van bodembedekkers zeer traag verloopt. De oorzaak kan zijn dat de bodem te droog of te arm is. De vraag is dan wel of bodembedekkers een logische keus is geweest. Het is in ieder geval niet aan te raden om zonder ervaring in de locale situatie grootschalig bodembedekkers aan te planten. Het risico wordt gespreid als men pleksgewijs met verschillende soorten werkt. Sommige bodembedekkers hebben de neiging om goed te sluiten bijv. gele dovenetel. Gevlekte dovenetel lijkt ook goed samen met grote brandnetel en andere ruige planten te groeien. Een echte bodembedekker is dat dus niet.
Een natuurlijke bodembedekker bij uitstek is zevenblad. Bij de burgers heeft deze plant, die veel meer van ecologische betekenis is dan menigeen denkt, een slechte reputatie. In kleine particuliere tuinen en volkstuinen kunnen het soms onmogelijke planten zijn, die mensen tot wanhoop brengt. Maar in grotere plantsoenen kunnen ze een zeer gewaardeerde variatie leveren aan het groen. Ze kunnen zelfs heel goed samen groeien met stinzenplanten.
De plekken waar zevenblad groeit, kunnen het beste met rust worden gelaten. Schoffelen en vroegtijdig uitmaaien zijn nutteloze bezigheden die alleen maar geld kosten en geen esthetische nog ecologische meerwaarden opleveren. Als deze soort als bodembedekker ontbreekt, kan men het aanplanten beter achterwege laten. Het is erg gemakkelijk om de soort te introduceren, maar om hem weer weg te krijgen is (bijna) een onmogelijkheid.
 
Foto's
Zevenblad is meestal een ongewenst onkruid. Op bepaalde plekken kan hij bijdragen aan beeld en ecologie. Introductie moet echter worden ontraden, omdat dit een inleiding is tot een onomkeerbaar proces. Dit geldt ook voor commerciële bonte variëteiten. Deze soort bloei niet of nauwelijks in de schaduw. (Amstelveen, Handwegbos1994)
 
Bonte gele dovenetel staat hier redelijk in de schaduw. Op de voorgrond groeit fluitenkruid. Bonte gele dovenetel is hier juist toegepast, maar toch zal dit op deze vochtige grond gezelschap krijgen van grote brandnetel. (Schiedam, Beatrixpark 1997)
 
Bonte gele en gestreepte (gevlekte) doventel bloeien in volle zon en halfschaduw. Bij te veel schaduw stopt de bloei. Op deze vochtige en voedselrijke bodem zal deze vegetatie, zonder extra aandacht, doorspekt raken met grote brandnetel. Beide dovenetels zullen zich hier in minder spectaculaire vorm wel handhaven. (Schiedam, Beatrixpark 2002)
 
Bonte gele dovenetel -- Deze soort voor vaak als tuinplanten gebruikt en als bodembedekker in openbaar groei. Wordt vaak met uitafval weggeworpen waardoor die zich ook in bossen, vooral bosranden, kan vestigen.
 
Gestreepte (gevlekte) dovenetel (cultivar) -- De zilverbonte vorm van gevlekte dovenetel wordt vaak toegepast. Deze plant kan zich op deze wijze een aantal jaren handhaven. Maar moet daarna zijn plek vaak delen met grote brandnetel. (Schiedam, Beatrixpark 1991)
 
Smalle beukvaren -- Smalle beukvaren wordt zelden toegepast. Op goed beschaduwde, maar niet te donkere plekken op vochtige zwakzure zandige of lemige bodem doet het goed. Ook in tuinen. In de natuur groeit deze soort in hoofdzaak op tamelijk hellende tot steile kanten, vaak langs beken. (Floriade 2002). Voor bijen en andere bloembezoekende insecten heeft deze plant geen betekenis, maar het gaat niet alleen om bijen.
 
Bodembedekkende smeerwortel (Symphytum grandiflorum) -- Deze exotische smeerwortel wordt veel toegepast in beschaduwde plaatsen. Is een redelijk betrouwbare bodembedekker die het goed doet op vochtige tot vochthoudende bodems. Wordt toegepast in essen-iepenbosachtige beplantingen. (Gouda, geluidswal 2001)
 
 

Aanleg

 
Aanlegen beheerschema gesloten beplantingen met een bodembedekkende kruidlaag
Plantafst. 1e jaar 2e jaar 3e jaar 4-5e j 5-6e j 6-7e j 7-8e j 8-9e j 9-10e j
1,25-1,5m IS SW/SM (Sn 3e j) ID +R R R+SD IK ontwik; SW; SM
1,5-2,0m     SW/SM ID +R R R+SD IK Ontwik; SW; SM
SW = Selectief schoffelen, wieden of uitsteken van ongewenste soorten
ID = integraal dunnen
SD = Selectief dunnen iedere 2 of drie jaar nalopen
R = Randenbeheer storingssoorten d.m.v. uitmaaien, wieden schoffelen
IK = Introduceren van kruiden
IM = Integraal uitmaaien
SM = Selectief uitmaaien
Ontwik = Ontwikkelingsbeheer en onderhoud
 
Plantafstanden in het algemeen  
a. Beheer kan optimaal worden afgestemd op de ontwikkeling van de beplantingen en kruidlaag. Plantafstand in principe niet belangrijk. In verband met storing van de bodem minimaal 1,0 x 1,0 m.
b. Een stinzenachtige kruidlaag is op korte termijn (10-15 jaar) gewenst Plantafstand 1,25 x 1,25 m tot 1,5 x 1,5 m.
c. Een grazige, een heterogene of een ruige, zich van nature ontwikkelende kruidlaag is gewenst. Plantafstand 1,5 x 1,5 m tot 2,0 x2,0 m.
d. Beplantingsbeeld is op vrij korte termijn gewenst, maar er moet ook meer ruimte zijn voor natuurlijke ontwikkeling. Plantafstand 2.0 x 2,0 tot 3,0 x 3,0 m of meer. Eventueel met onregelmatige plantafstanden.
e. Gevarieerde plantafstanden. Pleksgewijs 1,25-1,25 tot 3,0 x 3,0 m .
f. Open struweelbeplanting is gewenst Groepsgewijs aanplanten met plantafstanden 2,0 x 2,0 m met minimale tussenruimte tussen de groepen van 10 tot 15 m
g. Een bepaald beplantingsbeeld is gewenst, maar moet zelf regulerend zijn. Uitval is geen probleem en natuurlijke ontwikkeling wordt zeer op prijs gesteld. Plantafstand struiken 3-8 m, bomen 8 tot 10 m. Eventueel combineren met pleksgewijs gevarieerd aanplanten. Ontwikkeling zal te vergelijken zijn met braakliggende terreinen.