Beplantingen met een grazige kruidlaag

Inleiding en omschrijving

De meeste grassen zijn min of meer lichtbehoevend en kunnen alleen in stand worden gehouden door begrazing of door maaien. Het betekent dat beplantingen tamelijk goed lichtdoorlatend moeten zijn. Dit houdt een beperking in van de keuze van de houtige soorten. Onder esdoorn, iep, linde, haagbeuk, tamme kastanje en beuk en ook onder de meeste gesloten struiken is een grazige vegetatie niet mogelijk. Alleen als de struiken aan de zijkanten open zijn en tamelijk hoog zijn uitgegroeid, heeft een grazige vegetatie kans van slagen.

Door allerlei eisen voor veiligheid, uitzicht en doorzicht kunnen zowel gesloten boom- als struikbeplantingen een open karakter hebben. Het komt ook vaak voor dat de beplanting tijdelijk open is, bijvoorbeeld na omvorming van de bestaande beplanting of na afzetten. In de grazige onderbegroeiing komen graslandplanten voor zoals paardenbloem, pinksterbloem en knolboterbloem. Er zullen echter ook soorten groeien als fluitenkruid, grote brandnetel en geel nagelkruid. Er zijn omstandigheden waarin ook bosplanten kunnen groeien als bosanemoon, salomonszegel en vingerhelmbloem.

De overgang van beplanting naar gras biedt zeer interessante mogelijkheden voor graslandplanten die in grazige zomen goed kunnen standhouden. Op zandige en lemige bodems zijn dit onder meer grasklokje, grote muur en gewone ereprijs. In de directe woonomgeving zou men de beplantingen kunnen verrijken met stinzenplanten, zoals sneeuwklokje, boerenkrocus en ook speenkruid. Op zandige bodems kunnen grassen zeer dominant zijn. Op deze pagina gaat het om essen-iepenbosachtige beplantingen. Aanleg
 
Droge en voedselarme bodems  
Op droge bodems en in droge perioden zijn groeiende grassen sterke vochtconcurrenten van jonge bomen en struiken. Als een snelle groei van de beplanting gewenst is, kan men beter eerst een tot twee jaar schoffelen en pas daarna de grazige vegetatie stimuleren. Omdat de factor licht erg belangrijk is, kan het in gesloten beplantingen echter wel meer dan tien jaar duren voordat er van een grazige begroeiing sprake is.
Als een grazige vegetatie gewenst is, is de plantafstand minder kritisch dan bij de beplantingstypen met bodembedekkers en een stinzenflora. Er kan dan voor een ruimere plantafstand worden gekozen. In de latere fase is de meest voor de hand liggende beheermethode uitmaaien met de bosmaaier. Het maaisel moet wel worden afgevoerd. Dit geldt alleen voor kleinere of smalle plantvakken, bosjes en gedeelte van beplantingen.
Op voedselrijke bodems kan het beste tweemaal per jaar worden gemaaid, op zandige bodems in principe éénmaal per jaar. Op voedselarme, zure zandige bodems kan de grazige vegetatie erg soortenarm zijn of zelfs geheel uit gras bestaan. Als men in kleinschalige beplanting en/of op bepaalde plekken toch een meer gevarieerde flora wenst, moet er eerder gedacht worden aan lichte bemesting met oude stalmest (voor zo ver verkrijgbaar) of met compost. Als bemesting achterwege wordt gelaten, krijgen de paddenstoelen op termijn meer kansen.
 
Foto's
Gras en bos -- Als we ons laten inspireren door bos, blijkt in beplantingen een grazige kruidlaag meer voor de hand te liggen dan een kale bodem. In Europa worden bossen niet alleen door wilde dieren begraasd, maar ook door huisdieren, onder meer koeien en schapen. (Aland-eilanden 2002)
 
Gras in een houtakker --Onder zulke houtakkers met populieren vindt men meestal een vegetatie waarin grote brandnetel aspectbepalend is. Door begrazing blijft het gras. (Maastricht 1994)
 
Open struweel en bosbeplanting --Deze oorspronkelijk gesloten, in de jaren zeventig aangelegde beplanting is begin jaren negentig sterk gedund en jaarlijks uitgemaaid. Op deze wijze is er een natuurlijk beeld ontstaan, maar kruidachtige drachtplanten komwen hier nog nauwelijks voor. De grassen zijn nog te dominant. (Ede 1996)
 
Open beplanting -- Deze beplanting is groepsgewijs aangeplant met het oog op sociale veiligheid. Een grazige kruidlaag ligt aan het meest voor de hand. Deze vegetatie wordt éénmaal per jaar gemaaid. (Apeldoorn, Laan van Zevenhuizen 1996)
 
Open struweel en bosbeplanting --Deze oorspronkelijk gesloten, in de jaren zeventig aangelegde beplanting is begin jaren negentig sterk gedund en jaarlijks uitgemaaid. Op deze wijze is er een natuurlijk beeld ontstaan. (Ede 1996)
 
Rozenvak op zavelachtige grond --In 1983 werden hier geen onkruidbestrijdingsmiddelen meer toegepast en is overgestapt op het uitmaaien van de beplanting. Een grazige vegetatie was het gevolg. Onder botanische struikrozen is uitmaaien echter een lastige klus. In de jaren negentig is dit rozenvak omgevormd naar gras. (Arnhem-Zuid 1992)
 
Amerikaans krentenboompje op kleiige grond -- Een beplanting met Amerikaans krentenboompje is gewoonlijk vrij donker. Doordat ze noodzakelijkerwijs steeds sterk moeten worden gesnoeid treed er relatief veel lichtinval op. In combinatie met uitmaaien leverde dit een tamelijk grazige kruidlaag op waarin zelfs pinksterbloem nog tot bloei kon komen. (Zoetermeer 1996)
 
Omvorming wijkgroen --Deze oorspronkelijk gesloten beplanting is rond de jaren negentig sterk gedund. De struiken konden dan in hun natuurlijke vorm uitgroeien. De grazige vegetatie wordt één- of tweemaal per jaar met een kleine maaimachine gemaaid. (Zoetermeer 1996)
 
Fabriekstuin --In deze fabriekstuin zijn in het begin van de jaren tachtig meer dan honderd soorten aangeplant met de bedoeling om er een natuurlijke tuin van te maken. De bomen en struiken zijn wijd uit elkaar geplant zodat er een soort open bos- beeld is ontstaan. In het begin werd er gewied, hetgeen een gevecht tegen de bierkaai was. Daarna werd er gemaaid met als resultaat een grazige kruidlaag (Wijlre, bierbrouwerij 1994)
 
 
Aanleg en beheerschema gesloten en open beplantingen met een grazige kruidlaag
Plantafst. 1e jaar 2e jaar 3e jaar 4-5e j 5-6e j 6-7e j 7-8e j 8-9e j 9-10e j
1,5-2,0m IS/IM IM (Sn 3e j) ID+IM (+ IK) IM Ontwik; IM
2,0-3,0m     IM ID+IM (+IK) IM Ontwik; IM
IS = Integraal schoffelen
ID = integraal dunnen
SD = Selectief dunnen iedere 2 of drie jaar nalopen
S = Snoeien/koppen struikvormers
R = Randenbeheer storingssoorten d.m.v. uitmaaien
IK = Introduceren van kruiden
IM = Integraal uitmaaien
Ontwik = Ontwikkelingsbeheer en onderhoud
 
Plantafstanden in het algemeen  
a. Beheer kan optimaal worden afgestemd op de ontwikkeling van de beplantingen en kruidlaag. Plantafstand in principe niet belangrijk. In verband met storing van de bodem minimaal 1,0 x 1,0 m.
b. Een stinzenachtige kruidlaag is op korte termijn (10-15 jaar) gewenst Plantafstand 1,25 x 1,25 m tot 1,5 x 1,5 m.
c. Een grazige, een heterogene of een ruige, zich van nature ontwikkelende kruidlaag is gewenst. Plantafstand 1,5 x 1,5 m tot 2,0 x2,0 m.
d. Beplantingsbeeld is op vrij korte termijn gewenst, maar er moet ook meer ruimte zijn voor natuurlijke ontwikkeling. Plantafstand 2.0 x 2,0 tot 3,0 x 3,0 m of meer. Eventueel met onregelmatige plantafstanden.
e. Gevarieerde plantafstanden. Pleksgewijs 1,25-1,25 tot 3,0 x 3,0 m .
f. Open struweelbeplanting is gewenst Groepsgewijs aanplanten met plantafstanden 2,0 x 2,0 m met minimale tussenruimte tussen de groepen van 10 tot 15 m
g. Een bepaald beplantingsbeeld is gewenst, maar moet zelf regulerend zijn. Uitval is geen probleem en natuurlijke ontwikkeling wordt zeer op prijs gesteld. Plantafstand struiken 3-8 m, bomen 8 tot 10 m. Eventueel combineren met pleksgewijs gevarieerd aanplanten. Ontwikkeling zal te vergelijken zijn met braakliggende terreinen.