Beplantingen met een heterogene (ruige) kruidlaag
Inleiding en omschrijving
In de natuur treffen we vaak combinaties aan van verschillende typen onderbegroeiing. Op de ene plek groeit er een lage kruidachtige vegetatie die uit vroeg bloeiende voorjaarsplanten bestaat, op een andere plek staan brandnetels en weer ergens anders fluitenkruid en klimop. Vooral in grotere beplantingen kan dat een aantrekkelijke afwisseling van beelden opleveren. Op plekken waar de bodem egaal is omgewoeld of uit vers opgebrachte grond bestaat, is de kans groot dat er in de eerste instantie een uniforme onderbegroeiing ontstaat. Indien we meer afwisseling willen en dat proces niet helemaal aan de natuur willen overlaten, zal er meer gestuurd en/of begeleid moeten worden. In plantsoenen die groot genoeg zijn, kunnen verschillende van de bovengenoemde mogelijkheden worden benut op de wijzen zoals die zijn aangegeven. Op deze pagina gaat het om essen-iepenbosachtige beplantingen.
Van tevoren kan men dan een plan maken dat in de loop der jaren wordt ingevuld. De kans is groot dat daar van moet worden afgeweken. Het is wellicht beter om eerst de ontwikkeling in de aanlegfase af te wachten en dan het plan van introductie en diversiteit in beheer daarop af te stemmen. Om de mogelijkheden voor een eigen invulling open te houden en de beplanting goed aan de groei te krijgen is het raadzaam de bodem in ieder geval tenminste anderhalf tot twee jaar vrij van storingssoorten te houden en te sterke groei van gras te voorkomen.
Deze beheermethode is geschikt om met accenten te werken. Op de ene plek laat men de natuur grotendeels haar gang gaan, op een andere plek wordt wat meer bijgestuurd en op enkele plekken wordt iets extra's gedaan voor de bijen, de vlinders of alleen maar om als blikvanger te fungeren . In dit type beplantingen zouden varens kunnen worden toegepast. Deze methode is ook geschikt voor meer grootschalige stedelijke beplantingen Aanleg
 
Foto's Naar top pagina
Sport-/wandelpark op klei -- Begin jaren negentig is deze bosachtige beplanting gedund om de kruidlaag te bevorderen. In het voor jaar voor het beeld eerst bepaald door speenkruid, later door fluitenkruid. In de zomer wordt het beeld hier grotendeels bepaald door de struiklaag. (Maasland 1995)
 
Stadspark op klei -- In deze parkstrook zijn verschillende soorten planten geïntroduceerd. De vroege voorjaarsplanten zijn als verdwenen. Zevenblad en fluitenkruid worden hier afgewisseld met lagere kruiden onder meer kruipende boterbloem. Hoewel de vinger hier aan de pols wordt gehouden ziet het er naar uit dat zevenblad het late voorjaarsbeeld het vroege zomerbeeld zal gaan bepalen. (Gouda, IJsselpark 1996)
 
Stins/Tuin op humus rijke klei --De Notaristuin is en van de bekenste stinzentuinen van Nederland. Het beeld van de stinzenplanten - hier ondermeer met holwortel - zal hier binnen 4 weken zijn vervangen door zevenblad. (Kollum, Notaristuin 1997)
 
 
Een bosplantsoen op klei en veen in de ondergrond - Speenkruid en grote brandnetel komen hier van nature voor. De bonte variant van Gevlekte dovenetel is toe gevoegd. (Schiedam, Beatrixpark1991)
 
Stadsbos op zeeklei --Een volledig natuurlijke kruidlaag van speenkruid en grote brandnetel bepalen hier het beeld. Op andere plekken worden dat afgewisseld met fluitenkruid. In de zomer is het doorzicht door de struiken aanzienlijk minder. (Sneek, Zwettebos 1995)
 
 
Aanleg en beheerschema gesloten beplantingen met een heterogene kruidlaag
Plantafst. 1e jaar 2e jaar 3e jaar 4-5e j 5-6e j 6-7e j 7-8e j 8-9e j 9-10e j
1,5-2,0m IS SW/SM (Sn 3e j) ID +R R R+SD IK Ontwik; SW; SM
2,0-3,0m     SW/SM ID +R R R+SD IK Ontwik; SW; SM
 
IS = integraal schoffelen
SW = Selectief schoffelen, wieden of uitsteken van ongewenste soorten
ID = integraal dunnen
SD = Selectief dunnen iedere 2 of drie jaar nalopen
R = Randenbeheer storingssoor­ten d.m.v. uitmaaien, wieden schoffelen
IK = Introduceren van kruiden
SM = Selectief uitmaaien
Ontwijk = Ontwikkelingsbeheer en onderhoud
 
Plantafstanden in het algemeen  
a. Beheer kan optimaal worden afgestemd op de ontwikkeling van de beplantingen en kruidlaag. Plantafstand in principe niet belangrijk. In verband met storing van de bodem minimaal 1,0 x 1,0 m.
b. Een stinzenachtige kruidlaag is op korte termijn (10-15 jaar) gewenst Plantafstand 1,25 x 1,25 m tot 1,5 x 1,5 m.
c. Een grazige, een heterogene of een ruige, zich van nature ontwikkelende kruidlaag is gewenst. Plantafstand 1,5 x 1,5 m tot 2,0 x2,0 m.
d. Beplantingsbeeld is op vrij korte termijn gewenst, maar er moet ook meer ruimte zijn voor natuurlijke ontwikkeling. Plantafstand 2.0 x 2,0 tot 3,0 x 3,0 m of meer. Eventueel met onregelmatige plantafstanden.
e. Gevarieerde plantafstanden. Pleksgewijs 1,25-1,25 tot 3,0 x 3,0 m.
f. Open struweelbeplanting is gewenst Groepsgewijs aanplanten met plantafstanden 2,0 x 2,0 m met minimale tussenruimte tussen de groepen van 10 tot 15 m
g. Een bepaald beplantingsbeeld is gewenst, maar moet zelf regulerend zijn. Uitval is geen probleem en natuurlijke ontwikkeling wordt zeer op prijs gesteld. Plantafstand struiken 3-8 m, bomen 8 tot 10 m. Eventueel combineren met pleksgewijs gevarieerd aanplanten. Ontwikkeling zal te vergelijken zijn met braakliggende terreinen.