Beplantingen met een volledig natuurlijke ontwikkeling van de kruidlaag

 

Inleiding en omschrijving
Een natuurlijke kruidlaag ontstaat van zelf. Al direct na het planten van de bomen en struiken. Als de plantafstand te klein is kan de kruidlaag voor 10 tot 20 (50) jaar wegblijven. Zolang er geen kruidlaag is, zolang blijft de ecologische betekenis van de beplantingen zeer beperkt. (Foto boven: Een kruidlaag met fluitenkruid is meestal volledig natuurlijk, Arnhem-Zuid)
Jonge beplantingen ondervinden concurrentie van kruidachtige planten. Toch gebeurt het zelden dat een beplanting volledig uitvalt. De kwaliteit en de conditie van het plantmateriaal en de kwaliteit van het plantwerk zijn vaak veel meer van doorslaggevende aard voor het slagen van een beplanting dan allerlei onkruidbestrijdingsmethoden.
Op plekken waar het ontstaan van een bepaald beeld minder aan een bepaalde wens is gebonden en waar ook geen speciale wensen zijn ten aanzien van de kruidlaag zou men onkruidbestrijding volledig achterwege kunnen laten. Op bodems die een natuurtechnische bewerking hebben ondergaan is dat zelfs aan te bevelen. Uitval ten gevolge van concurrentie is te zien als een natuurlijke dunning. Vooral in recreatieterreinen en in het buitengebied is dat de meest voor de hand liggende methode. In landschappelijke beplantingen wordt deze methode al jaren met succes toegepast. Alleen is de plantafstand vaak tamelijk dicht zodat er meestal stakenbosjes ontstaan, die in ieder geval van dichtbij gezien alles behalve een aantrekkelijk beeld opleveren. Als men het beheer dan toch grotendeels aan de natuur overlaat, zijn ruime plantafstanden aan te bevelen.
De dunning kan dan worden uitgesteld en veel selectiever gebeuren. Indien met dat niet aandurft, is de gebruikelijke plantafstand nog steeds een goede uitgangssituatie, maar voor de beeldvorming is op tijd dunnen dan wel gewenst. Alleen op plekken langs de randen waar de kruidachtige vegetatie mechanische hinder oplevert zouden smalle randen kunnen worden uitgemaaid. Deze methode is ook geschikt voor meer grootschalige stedelijke beplantingen. Aanleg
 
 

Aanleg en beheerschema beplantingen met een volledig natuurlijke ontwikkeling

Plantafst. 1e jaar 2e jaar 3e jaar 4-5e j 5-6e j 6-7e j 7-8e j 8-9e j 9-10e j
2,0-3,0 (5)m Niets doen/passiefbeheer ID Ontwik

ID = integraal dunnen

SD = Selectief dunnen iedere 2 of drie jaar nalopen

R = Randenbeheer storingssoorten d.m.v. uitmaaien, wieden schoffelen

Ontwijk = Ontwikkelingsbeheer en onderhoud

 

Plantafstanden

Beheer kan optimaal worden afgestemd op ontwikkeling van de beplantingen en kruidlaag.

Plantafstand in principe niet belangrijk. In verband met storing van de bodem minimaal 1,0 x 1,0m.

Een stinzenachtige kruidlaag is op korte termijn (10-15 jaar) gewenst

Plantafstand 1,25 x 1,25m tot 1,5 x 1,5m

Een grazige, een heterogene of een ruige kruidlaag die zich in hoofdzaak van nature ontwikkelt is gewenst.

Plantafstand 1,5 x 1,5 m tot 2,0 x2,0m

Beplantingsbeeld is op vrij korte termijn gewenst, maar er moet ook meer ruimte zijn voor natuurlijke ontwikkeling.

Plantafstand 2.0 x 2,0 tot 3,0 x 3,0m of meer. Eventueel met onregelmatige plantafstanden.

Gevarieerde plantafstanden

Pleksgewijs 1,25-1,25 tot 3,0 x 3,0m

Open struweel beplanting is gewenst

Groepsgewijs aanplanten met plantafstanden 2,0 x 2,0 m. met minimale tussenruimte tussen de groepen van 10 tot 15m

Een bepaald beplantingsbeeld is gewenst, maar moet zelf regulerend zijn. Uitval is geen probleem en natuurlijke ontwikkeling wordt zeer op prijs gesteld.

Plantafstand struiken 3-8meter, bomen 8 tot 10 m. Eventueel combineren met pleksgewijs gevarieerd aanplanten. Ontwikkeling zal te vergelijken zijn met braakliggende terreinen.