Beplantingen met half hoge tot hoge ruige tot zeer ruige kruidlaag
(Foto boven: Een bloemrijke maar ruige begroeiing met fluitenkruid en koolzaad, Gouda).
Inleiding en omschrijving
In veel loofbossen op voedselrijke bodem is een ruigte kruidlaag aanwezig. Vooral in jonge en bloeiende stadia kan dat fraaie beelden opleveren. Soms is dat zeer tijdelijk. Fluitenkruid is daar een voorbeeld van. De frisse groene rozetten geven een fraai voorjaarbeeld als de bodem bedekken. Dat wordt dan vaak gevolgd door een overdadige bloei. Daarna is het snel afgelopen. Uit oogpunt van de fauna is ruigte van grote betekenis. Dat wordt hooggewaardeerd zolang het niet al te rommeling wordt. Op deze pagina gaat het om essen-iepenbosachtige beplantingen. Aanleg
 
Burgerlijk verzet
Burgerlijk verzet tegen natuurlijk groenbeheer heeft vaak betrekking op verruiging van beplantingen. Het is in ieder geval duidelijk dat binnen de woonomgeving grote brandnetels, kleefkruid, akkerdistels en haagwinde tot beelden leiden, die vaak niet of moeilijk worden geaccepteerd door aanwonenden. Toch dragen deze beplantingen bij aan de ecologische variatie in woonwijken en parken. Verschillende vogels nestelen bij voorkeur in ruige begroeiingen. Vele honderden insecten soorten zijn voor voorplanting en voedselbron aan brandnetels en distel s gebonden.

Het is de vraag of grote plantsoenen waar het ontwerp op zulke ruigten is afgestemd geen esthetische waarden kunnen hebben. Bij een krachtig ontwerp waarbij de beplanting voldoende uitstraling heeft, hoeft ruigte niet altijd te worden geweerd. Waar een dergelijke ruigte niet vanzelf ontstaat, hoeven we die echter niet te stimuleren. Doorgaans zijn er elders mogelijkheden genoeg. Maar waar verruiging te verwachten en moeilijk tegen te gaan is, bestaat de mogelijkheid er nog wat positiefs van te maken.

Brandnetels die in het voorjaar een keer zijn afgemaaid, kunnen in de vroege zomer fraaie beelden opleveren. Brandnetels gemaaid in de late zomer, kunnen in de herfst nog voor een zekere bodembedekking zorgen. Op plekken die wat open zijn, kunnen brandnetels op vochtige, voedselrijke bodems worden gecombineerd met groot hoefblad, Canadese of late guldenroede en hop en op niet te zware bodem met look zonder look. Deze methode is ook geschikt voor meer grootschalige stedelijke beplantingen.
 
Beheer  
Beheer is vaak niet nodig. Als de vegetatie met rust wordt gelaten, zal de diversiteit alleen maar toenemen. Op plekken waar beheer noodzakelijk is, kan worden volstaan met uitmaaien van de randen. In de aanlegfase kan een onstuimige ontwikkeling van ruigte tot aanzienlijke vertraging in de groei van de beplanting leiden en zelfs tot uitval. Bij een goede kwaliteit en conditie van het plantmateriaal hoeft dat nog niet tot onoverkomelijke problemen te leiden. Meestal slaat de beplanting wel aan en komt met enige vertraging de groei op gang. Als er op korte termijn een bescheiden beeld gewenst is, moet er in ieder geval aan een selectieve kruidenregulatie worden gedaan.
Bij de planning kan men voor alle zekerheid uitgaan van twee tot drie jaar selectief maaien of uitmaaien. Zodra duidelijk groei wordt geconstateerd, kan het "onkruidbeheer" worden verminderd of eventueel worden gestaakt. In een gunstig geval is dat het eerstvolgende groeiseizoen na aanplant. Op den duur kunnen er ook uit de meest ruige situaties onverwachte en zeer waardevolle levensgemeenschappen ontstaan. Een reden te meer om deze beplanting niet minder aandacht te geven dan de eerder genoemde begroeiingen.
 
Foto's
Fluitenkruid -- In half schaduw kan fluitenkruid ruige vegetaties vormen. (Groningen1996)
 
Groot hoefblad met hop -- Op natte kleiachtige bodem kunnen er hoge bijna ondoordringbare vegetaties worden gevormd. (Schiedam, Beatrixpark 1996)
 
Groot hoefblad -- Op plekken met wortelstokken van groot hoefblad in de grond of in de omgeving is de kans groot dat de kruidlaag door deze plant wordt bepaald. (Utrecht, Uithof 1991)
 
Ruigte in woonwijk -- Na sterke dunning die vaak wordt toe gepast bij omvorming ontwikkelt zich zonder beheer meestal een zeer ruige begroeiing. Te dicht bij de voordeur wordt dat door omwonenden niet meestal niet geaccepteerd. Op deze plek was dit aanleiding tot felle protesten. (Leeuwarden 1994)
 
Grote brandnetel -- Op vochtige voedselrijke plekken waar voldoende licht door kan dringen kan Grote brandnetel dominant voorkomen. De brandnetels worden hier eenmaal per jaar gemaaid. (Rijswijk, Wilhelmina park 1997)
 
 
Aanleg en beheerschema gesloten beplantingen met half hoge tot hoge ruige tot zeer ruige kruidlaag  
1,5-2,0m SW/SM eventueel nat. ontwikkeling ID (+R) Omtwik. R; SM
2,0-3,0m SW/SM ID (+R) Omtwik. R; SM
 
SW = Selectief schoffelen, wieden of uitsteken van ongewenste soorten
ID = integraal dunnen
SD = Selectief dunnen iedere 2 of drie jaar nalopen
R = Randenbeheer storingssoorten d.m.v. uitmaaien, wieden schoffelen
IK = Introduceren van kruiden
IM = Integraal uitmaaien
SM = Selectief uitmaaien
Ontwik = Ontwikkelingsbeheer en onderhoud
Mogelijkheden voor plantafstanden
a. Beheer kan optimaal worden afgestemd op de ontwikkeling van de beplantingen en kruidlaag. Plantafstand in principe niet belangrijk. In verband met storing van de bodem minimaal 1,0 x 1,0 m.
b. Een stinzenachtige kruidlaag is op korte termijn (10-15 jaar) gewenst Plantafstand 1,25 x 1,25 m tot 1,5 x 1,5 m.
c. Een grazige, een heterogene of een ruige, zich van nature ontwikkelende kruidlaag is gewenst. Plantafstand 1,5 x 1,5 m tot 2,0 x2,0 m.
d. Beplantingsbeeld is op vrij korte termijn gewenst, maar er moet ook meer ruimte zijn voor natuurlijke ontwikkeling. Plantafstand 2.0 x 2,0 tot 3,0 x 3,0 m of meer. Eventueel met onregelmatige plantafstanden.
e. Gevarieerde plantafstanden. Pleksgewijs 1,25-1,25 tot 3,0 x 3,0 m .
f. Open struweelbeplanting is gewenst Groepsgewijs aanplanten met plantafstanden 2,0 x 2,0 m met minimale tussenruimte tussen de groepen van 10 tot 15 m
g. Een bepaald beplantingsbeeld is gewenst, maar moet zelf regulerend zijn. Uitval is geen probleem en natuurlijke ontwikkeling wordt zeer op prijs gesteld. Plantafstand struiken 3-8 m, bomen 8 tot 10 m. Eventueel combineren met pleksgewijs gevarieerd aanplanten. Ontwikkeling zal te vergelijken zijn met braakliggende terreinen.