Beplantingen met lage voorjaarsflora of stinzenflora
Aanleg Foto's Soorten voor introductie  
Inleiding en omschrijving
De bosflora en stinzenflora worden door bijna iedereen hoog gewaardeerd. Veel planten die daar deel van uitmaken zouden heel goed in stedelijke beplantingen kunnen groeien. Vooral op plekken waar de bodem niet te schraal is. Ze kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de esthetische kwaliteit van de openbare ruimte. (Foto boven: een stinzenflora in een woonwijk, Amstelveen). Op deze pagina gaat het om essen-iepenbosachtige beplantingen.
Eigenlijk bestaat er voor dit type kruidlaag geen goede term, maar de term “lage voorjaarsflora” is bruikbaar. De kruidlaag komt het meest overeen met die van het middenbos of met die van stinzen. Middenbos is te zien als een tussenvorm van hakhout en opgaand bos. Voorbeelden of liever gezegd restanten daarvan zijn onder meer te vinden in het Zuidlimburgse heuvellandschap. Onder en tussen hoogopgaande en min op meer natuurlijk uitgegroeide bomen is een lagere en/of ijlere boomlaag aanwezig als restant van voormalig hakhout. Mede ten gevolge van het laatste kenmerk laat de kroonlaag voldoende licht door voor de ontwikkeling van een gevarieerde kruidlaag. Het meest opvallende aspect daarvan is de in het voorjaar bodembedekkende flora met onder meer bosanemoon, speenkruid en slanke sleutelbloem.
Stinzen hebben met het middenbos van Zuid-Limburg gemeen, dat ze een rijke voorjaarsbloei hebben. Bij het middenbos gaat het om een spontane vestiging en natuurlijke ontwikkeling van de flora, bij stinzen is er meestal sprake van geïntroduceerde planten. Hierbij spelen ook de exoten en soorten uit andere plantengeografische districten een rol. Vaak zijn dat bol- en knolgewassen zoals holwortel, vingerhelmbloem, sneeuwklokje en boerenkrocus. Het gaat hier om een kruidlaag die in hoofdzaak bestaat uit laagblijvende en vroegbloeiende soorten. In gestoorde milieus en op stinzen groeien vooral de bolgewassen vaak samen met ruigere begroeiingen, waar zevenblad dikwijls deel van uitmaakt.
Mogelijkheden stedelijk groen
Vaak wordt beweerd dat beplantingen met idyllische, heemtuinachtige beelden met bosanemonen en primula's ecologisch en financieel niet haalbaar zijn. Toch blijkt dat wel mogelijk. Er moet dan wel worden voldaan aan een reeks van voorwaarden. In de eerste plaats vraagt het wat extra investering tijdens de aanlegfase, in de tweede plaats vraagt het in de jonge fase ook wat extra tijd voor het introduceren van kruidachtigen. In de derde plaats vraagt het om beheermaatregelen, die niet tot schokeffecten in de beplantingen leiden. Dat betekent dat handelingen steeds op het juiste moment moeten worden uitgevoerd en moeten zijn afgestemd op de ontwikkeling van de beplanting.
Op de plekken waar men de kruiden wil introduceren, moet de bodem de eerste jaren vrij worden gehouden van concurrerende kruiden. Er moet steeds op tijd en selectief worden gedund. Permanent moeten er bomen blijven staan (bovenstaanders) en daarnaast moeten er bomen bestemd worden als overstaanders. Nu en dan moeten de overstaanders worden afgezet om weer voldoende licht op de bodem te krijgen.
Bij relatief smalle beplantingen is er vaak al een voldoende zijwaartse lichtinval. Bij te weinig licht loopt de bloei van de bosplanten terug, bij te veel licht krijgen concurrerende soorten de overhand. Indien men de onkruidbestrijding gedeeltelijk uitvoert of achterwege laat, kunnen er ook positieve resultaten worden behaald, maar er is wel een grote kans dat storingssoorten het beeld gaan bepalen. Het zal dan op zijn minst jaren langer duren voor het gewenste beeld is ontstaan.
 
vuistregels
De kroon en de zijkanten van de beplanting moeten voldoende gesloten zijn (ca. 60-70%) en zo hoog zijn opgegroeid, dat er voldoende licht op de bodem komt.
De plekken waar soorten worden geïntroduceerd, moeten vrij zijn van concurrerende kruiden.
Dunningen en andere beheermaatregelen mogen niet tot explosieve kruidengroei leiden. Door ringen, selectief afzetten of selectieve snoei is de lichtinval te reguleren.
Snoei en dunningshout zoveel mogelijk afvoeren.
Omvorming bestaande beplantingen
In bestaande plantsoenen die goed zijn beheerd, dat wil zeggen steeds voldoende zijn gedund en / of gesnoeid, is het vaak mogelijk om vroeg bloeiende voorjaarssoorten te introduceren. Afhankelijk van de lichtsituatie kunnen er ook late voorjaarsoorten worden geïntroduceerd. Door verdere, selectieve dunning, snoeien en ringen kan de beplanting geleidelijk transparanter worden gemaakt. Indien, wegens ernstige achterstand in beheer, geleidelijke omvorming of dunning niet mogelijk is, dan eventueel als hakhout behandelen en volgens het aanleg- en beheerschema beheren.
 
Foto's
Kruidlaag met holwortel -- Beuken-eikenbossen van de rijke bodems onderscheiden zich van de beuken-eikenbossen van de arme bodems door hun weelderige en vaak voorjaarsbloeidende kruidlaag. (Kollum 1993)
 
Holypark Vlaardingen -- Hier is vingerhelmbloem en bosanemoon toegepast. Vingerhelmbloem neemt hier snel toe omdat de mieren het zaad verspreiden. Bosanemoon ontwikkelt zicht vrij langzaam. Dis bosje wordt als hakhout beheerd. Is op het moment van de foto 15 jaar oud. Vlaardingen 1994.
 
Boerenkrokus stins IJsbrechtum -- Boerenkrokus op zeer vochtige zware kleibodem. Deze soort is op veel plekken toe te passen. (IJsbrechtum, Epema-state 1991)
 
Sneeuwklokje Amelisweerd -- In Amelisweerd is sneeuwklokje op veel plekken een dominante voorjaarsplant. In het openbaar groen wordt sneeuwklokje nauwelijks toegepast. Het is een plant die zichzelf decennia lang in stand kan houden. (2004)
 
Speenkruid woonwijk -- Speenkruid is hier dominant. Door dat de beplanting hier in de zomer vrij dicht is en weinig licht doorlaat is de bodem in de zomer kaal. (Amstelveen 1994)
 
Speenkruid stins IJsbrechtum -- Speenkruid is de meest karakteristieke plant voor het essen-iepenbos. In de zomer groeien hier veel brandnetels. (IJsbrechtum, Epema-state 1992)
 
Bosanemoon in woonwijk -- In de voorjaarszon en op in de zomer wat zwaarder beschaduwde plekken kan bosanemoon zich goed handhaven. Het is hier dus een kwestie van lichtregulatie. De kwaliteit van de beplanting is hier sterk gekoppeld aan de kwaliteit van het vakmanschap. (Amstelveen 1992)
 
Daslook -- Daslook, hier toegepast in een park in Leeuwarden, is vooral in Zuid-Limburg karakteristiek voor het eiken-haagbeukenbos. Deze plant kan op grote oppervlakte tot dominantie komen. En een tamelijk sterke bieslookachtige geur verspreiden. Door het Bunder bos is dat soms in de trein te merken.
 
 
Aanleg en beheerschema gesloten beplantingen met een lage voorjaarsbloeiende kruidlaag  
Plantafst. 1e jaar 2e jaar 3e jaar 4-5e j 5-6e j 6-7e j 7-8e j 8-9e j 9-10e j
1,25-1,50m IS -- (S 3e j) ID +R R R+SD IK Ontwik; SW; SM
1,5-2,0m   IS ID +R R R+SD IK Ontwik; SW; SM
 
IS = Integraal schoffelen
SW = Selectief schoffelen, wieden of uitsteken van ongewenste soorten
ID = integraal dunnen
SD = Selectief dunnen iedere 2 of 3 jaar nalopen
S = Snoeien/koppen struikvormers
R = Randenbeheer storingssoorten d.m.v. uitmaaien, wieden schoffelen
IK = Introduceren van kruiden
SM = Selectief uitmaaien
Ontwik = Ontwikkelingsbeheer en onderhoud.
Plantafstanden in het algemeen
a. Beheer kan optimaal worden afgestemd op de ontwikkeling van de beplantingen en kruidlaag. Plantafstand in principe niet belangrijk. In verband met storing van de bodem minimaal 1,0 x 1,0 m.
b. Een stinzenachtige kruidlaag is op korte termijn (10-15 jaar) gewenst Plantafstand 1,25 x 1,25 m tot 1,5 x 1,5 m.
c. Een grazige, een heterogene of een ruige, zich van nature ontwikkelende kruidlaag is gewenst. Plantafstand 1,5 x 1,5 m tot 2,0 x2,0 m.
d. Beplantingsbeeld is op vrij korte termijn gewenst, maar er moet ook meer ruimte zijn voor natuurlijke ontwikkeling. Plantafstand 2.0 x 2,0 tot 3,0 x 3,0 m of meer. Eventueel met onregelmatige plantafstanden.
e. Gevarieerde plantafstanden. Pleksgewijs 1,25-1,25 tot 3,0 x 3,0 m .
f. Open struweelbeplanting is gewenst Groepsgewijs aanplanten met plantafstanden 2,0 x 2,0 m met minimale tussenruimte tussen de groepen van 10 tot 15 m
g. Een bepaald beplantingsbeeld is gewenst, maar moet zelf regulerend zijn. Uitval is geen probleem en natuurlijke ontwikkeling wordt zeer op prijs gesteld. Plantafstand struiken 3-8 m, bomen 8 tot 10 m. Eventueel combineren met pleksgewijs gevarieerd aanplanten. Ontwikkeling zal te vergelijken zijn met braakliggende terreinen.
 
 
Kruidachtige soorten die kunnen worden geïntroduceerd
Midden in de beplanting Meer aan de randen of op lichtere plekken
Boerenkrokus Bosaardbei
Bosanemoon Bosvergeet-mij-nietje
Daslook (D) Dagkoekoeksbloem (D: tijdelijk)
Donkere ooievaarsbek Gevlekt longkruid
Gele anemoon Gevlekte dovenetel
Holwortel (alleen niet op zandgrond) Kruipend zenegroen
Lenteklokje Stinkende gouwe (D: tijdelijk)
Lievevrouwebedstro (D) Wilde akelei
Maarts viooltje  
Oosterse sterhyacint  
Robertskruid  
Sneeuwklokje  
Speenkruid (D)  
Vingerhelmbloem  
Wilde hyacint,  
Winterakoniet  
D: wordt op vochtige voedselrijke grond dominant