Beplantingen met een zomergroene, halfhoge tot hoge kruidlaag
Inleiding en omschrijving
Op plaatsen waar het donker is de grond meestal kaal en als de bodem zuur en droog is wordt die vaak bedekt met een laag afgestorven bladresten of naalden van coniferen. Goed licht doorlatende bossen hebben meestal een groene onderbegroeiing van kruiden of dwergstruiken. Bijvoorbeeld met bosbes, varens of gras. In het stedelijk gebied kan men daar zelf ook wat in sturen. Te veel licht leidt meestal to gras te weinig tot een onbegroeide bodem. (Foto boven: een zomergroene kruidlaag gedomineerd door klein springzaad, Kralingsebos Rotterdam). Op deze pagina gaat het om essen-iepenbosachtige beplantingen.
In de loop van het groeiseizoen raken planten uitgebloeid en sterven vaak volledig af. Dit geldt in ieder geval voor de meeste voorjaarsplanten. Er blijft dan een kale bodem over. Pleksgewijs is dat zelfs een voordeel, omdat sommige bosplanten dan geen last hebben van concurrentie. Het komt vaak voor dat een beplanting in het voorjaar knalgeel is van het speenkruid of wit van het fluitenkruid en in de zomer vrijwel kaal. Door meer licht te creëren, ontstaan er mogelijkheden voor een gevarieerde onderbegroeiing. In principe kan men vanaf de aanleg op dezelfde wijze te werk gaan als bij gesloten beplantingen met lage voorjaarsflora. Alleen wordt hier wat minder rekening gehouden met de meest concurrentie gevoelige soorten. Naast een natuurlijke vestiging zijn er dan ook mogelijkheden om soorten te introduceren.
Het beheer is gericht op het tegengaan van storingssoorten. In het begin is een zeker e controle op de ontwikkeling van de vegetatie gewenst. Eén tot twee jaar integraal schoffelen leidt in ieder geval tot een goede uitgangssituatie. Als storingssoorten (bijvoorbeeld bij een natuurtechnische bodembewerking) een ondergeschikte rol spelen en vergrassing niet te sterk op de voorgrond treedt, kan ook worden overgegaan tot selectief beheer of de vegetatie gewoon zijn gang te laten gaan. De kwaliteit van het plantmateriaal en het aanplanten is dan van doorslaggevende betekenis. Deze methode is ook geschikt voor meer grootschalige stedelijke beplantingen. Aanleg
 
 
De plantafstand
De plantafstand kan ruim zijn. Op bodems waar geen grote problemen worden verwacht, zou het zelfs aantrekkelijk zijn om plantafstanden van 3 meter aan te houden. Bij dunning levert dat een afstand op van 6 meter. Op rulle, voormalige landbouwgrond of andere losse voedselrijke bodems, die in het zicht van de bewoners liggen, is het in verband met een snelle beeldvorming, wellicht beter om met een kleinere plantafstand te werken.
Het beheer van de kruiden in al wat oudere beplantingen (vanaf de sluiting van de beplanting na de eerste dunning) kan zeer extensief zijn. De randen kunnen bij voorkeur selectief worden uitgemaaid in de beplanting zelf alleen de storende soorten. Dat hoeft geen heksenjacht te betekenen op bepaalde soorten. Brandnetels kunnen worden afgemaaid en zelfs bij kleine hoeveelheden blijven liggen. Kleefkruid kan het beste met de hand worden gewied. Vooral als men daar op tijd bij is, hoeft dat niet veel tijd te kosten. Het gaat in dit geval dan om randen die in het zicht van woningen of bepaalde gebruikersruimtes liggen.
In de winter of het najaar kan de vegetatie worden uitgemaaid of uitgeharkt. In verband met de tussen de vegetatie levende fauna is daarbij wel enige terughoudendheid gewenst, ook in de woonomgeving. Het is wellicht het beste om met accenten te werken. Vooral grotere plantsoenen bieden daarvoor vaak mogelijkheden. Hier en daar kunnen wat ruige plekken blijven staan voor vogels en overwinterende egels. Op andere plekken kan selectief worden uitgemaaid en uitgeharkt. Bij groter plantsoenen, bos, bosstrook, brede singels en grotere bosjes kan al dit beheer vaak tot de randen beperkt blijven. Op enkele plekken kunnen soorten worden geïntroduceerd, die met het beheer wat extra aandacht krijgen.
 
Foto's
Bosandoorn -- Bosandoorn (op de voorgrond) is een vrij snel groeiende soort die dichte begroeien kan vormen. Raak in de loop van de zomer wel uitgebloeid, maar de planten blijven groen. (Gouda, Atlantispark 1994)
 
Gevlekt longkruid -- Gevlekt long kruid komt hier bodembedekkend voor kan goed worden gecombineerd met verschillende varen en andere planten soorten van bosachtige milieus. Deze plek moet wel steeds worden gecontroleerd op onkruid omdat de bomen hier nog vrijveel licht doorlaten en er vrij veel licht van opzij invalt. Leeuwarden, Kalkvaart 1993)
 
Klein springzaad -- Klein springzaad komt hier vermoedslijk spontaan voor. Kan goed worden gecombineerd met stinzenplanten. De plant is wel erg gevoelig voor mechanische storing en laat na de bloei in augustus een rommelig beeld achter. (Groningen 1996). Een eneke keer wordt klein springzaad door bijen bezocht.
 

 

Aanleg en beheerschema gesloten beplantingen met een zomergroene, halfhoge tot hoge kruidlaag
Plantafst. 1 e jaar 2 e jaar 3 e jaar 4-5 e j 5-6 e j 6-7 e j 7-8 e j 8-9 e j 9-10 e j
1,5-2,0m (Eventueel niets doen en volledige nat.ontwikkeling ) IS SW/SM (Sn 3 e j) ID +R R R+SD IK ontwik; SW; SM
2,0-3,0m     SW/SM ID +R R R+SD IK Ontwik; SW; SM

 

IS = Integraal schoffelen
SW = Selectief schoffelen, wieden of uitsteken van ongewenste soorten
ID = integraal dunnen
SD = Selectief dunnen iedere 2 of drie jaar nalopen
S = Snoeien/koppen struikvor­mers
R = Randenbeheer storingssoorten d.m.v. uitmaaien, wieden schoffelen
K = Introduceren van kruiden
SM = Selectief uitmaaien
Ontwik = Ontwikkelingsbeheer en onderhoud

 

Plantafstanden in het algemeen  
a Beheer kan optimaal worden afgestemd op de ontwikkeling van de beplantingen en kruidlaag. Plantafstand in principe niet belangrijk. In verband met storing van de bodem minimaal 1,0 x 1,0 m.
b. Een stinzenachtige kruidlaag is op korte termijn (10-15 jaar) gewenst Plantafstand 1,25 x 1,25 m tot 1,5 x 1,5 m.
c. Een grazige, een heterogene of een ruige, zich van nature ontwikkelende kruidlaag is gewenst. Plantafstand 1,5 x 1,5 m tot 2,0 x2,0 m.
d. Beplantingsbeeld is op vrij korte termijn gewenst, maar er moet ook meer ruimte zijn voor natuurlijke ontwikkeling. Plantafstand 2.0 x 2,0 tot 3,0 x 3,0 m of meer. Eventueel met onregelmatige plantafstanden.
e. Gevarieerde plantafstanden. Pleksgewijs 1,25-1,25 tot 3,0 x 3,0 m .
f. Open struweelbeplanting is gewenst Groepsgewijs aanplanten met plantafstanden 2,0 x 2,0 m met minimale tussenruimte tussen de groepen van 10 tot 15 m
g. Een bepaald beplantingsbeeld is gewenst, maar moet zelf regulerend zijn. Uitval is geen probleem en natuurlijke ontwikkeling wordt zeer op prijs gesteld. Plantafstand struiken 3-8 m, bomen 8 tot 10 m. Eventueel combineren met pleksgewijs gevarieerd aanplanten. Ontwikkeling zal te vergelijken zijn met braakliggende terreinen.