Handleiding bossen en beplantingen voor bijen
Deze webpagina geeft ondersteuning bij het beantwoorden van de volgende vragen:
- Welke houtige soorten kunnen in bosverband op een bepaald bodemtype worden aangeplant?
- Welk "natuurlijk" bostype kan hierbij als een referentie ("voorbeeld") worden gebruikt?
- Welke kruidachtige soorten kunnen in een bepaald bostypen worden verwacht of eventueel worden geïntroduceerd?
Bossen voor bijen --- Doel keuzentabel ---- Motieven beheer ---- Herkennen van bossen
Voor allerlei details (groeiplaatsfactoren, beheer, etc.) zie cursus 'bijenbeheer'
 
--
Bossen en beplantingen voor bijen Terug
Bos- en struweelachtige beplantingen kunnen van grote betekenis zijn voor bijen. Hoe ouder beplantingen worden des te meer betekenis krijgen ze voor de flora en fauna. Duurzame beplantingen ontstaan als de combinatie van houtige soorten, past bij de bodem. De meeste planten kunnen zich op verschillende bodemtypen goed ontwikkelen als ze solitair of in een kleiner groepsverband worden aangeplant. Dit komt omdat het groeien van planten, waaronder bomen en struiken, niet alleen wordt bepaald door de abiotische standplaatsfactoren, maar ook door de concurrentiefactoren. Zolang de concurrentie afwezig is, zijn planten aanzienlijk toleranter ten aanzien van het milieu. Dit is ook de reden dat, in allerlei parken, tuinen en arboreta, bomen en struiken uit de meest uiteenlopende milieus het toch zeer goed doen. Een beuk die te lang met zijn wortels onder water staat, gaat zonder meer dood en een wilg zal het op de droge zandgronden niet lang volhouden.
Bij alle bostypen worden tabellen gegeven van toepasbare houtige soorten die op het betreffende bodemtypen kan worden aangeplant.
Veel soorten kruiden vestigen zich in de loop der jaren spontaan in de houtige beplanting. In principe kunnen ook alle kruidachtige planten die per bostype worden genoemd worden geïntroduceerd in stedelijk groen. Vooral als een gemeente ecologische groenbeheerders in dienst heeft, kunnen er zeer goede resultaten worden behaald.
--
Doel keuzentabel beplantingen voor bijen Terug
Het doel van deze keuzentabel is tweeledig. Het is in de eerste plaats bedoeld om de beste sortimentkeuze te maken voor de aanleg en het ontwerp van gesloten (bos en struweelachtige) houtige begroeiingen. Bosgemeenschappen zijn daarvoor de beste kennisbron die op deze helpdesk voor bijen en drachtplanten als een referentiekader wordt gebruikt. In de tweede plaats wordt er informatie gegeven over welke nectar- en stuifmeelplanten/drachtplanten er in bosgemeenschappen kunnen voorkomen.
Bodem en soortkeuze: Om de vragen over soortkeuze te kunnen beantwoorden moeten de bodemeigenschappen bekend zijn.
Houtige soorten -- Deze tabel geeft aan welke houtige soorten in bos-, bosachtige en struweelachtige beplantingen kunnen worden toegepast. Dit is gebaseerd op bosgemeenschappen die in Nederland voorkomen. Op bodems die min of meer overeenkomen met het natuurlijke milieu kunnen vrijwel alle bomen en struiken worden toegepast. Natuurlijke bossen en struwelen zijn binnen de tijd van een mensenleven niet na te maken zijn. De ontwikkeling van duurzame ecologisch waardevolle bossen en bosachtige beplantingen vraagt eerder eeuwen dan decennia, maar interessante resultaten zijn wel binnen 20 tot 40 jaar haalbaar.
Kruiden -- De soorten die worden genoemd, kunnen onder natuurlijke condities in de kruidlaag voorkomen. In aangelegde beplantingen overheersen meestal storingssoorten (door burgers gezien als ongewenste "onkruiden"). De voornaamste kruiden die onder natuurlijke omstandigheden in deze bosgemeenschappen kunnen voorkomen worden steeds genoemd en onderverdeeld in "nectar en stuifmeelplanten" en planten die niet door bijen worden bezocht.
Introductie kruiden -- Veel soorten kunnen worden geïntroduceerd, maar de resultaten daarvan wordt grotendeels bepaald door de concurrentie van andere kruidachtige soorten, ook als het milieu aan de gestelde eisen voldoet. Op kleine schaal kan dat handmatig worden bij gestuurd (wieden, bosmaaier), maar op grotere schaal zullen natuurlijk processen de samenstelling van de kruidlaag zelf bepalen. Hoe groener de vingers van de beheerder des te beter het resultaat van introductie.
Keuze toepasbare soorten -- Aan de hand van bekende of zelf vastgestelde bodemeigenschappen kan er een keuze worden gemaakt en worden doorgeklikt naar het overzicht van toepasbare soorten.
De toepassingen gelden voor bos, bosachtige en struweelachtige beplantingen. Solitair hebben planten meestal een bredere ecologische amplitudo (speelruimte), doordat concurrentie met andere planten ontbreekt.
--
Motieven beheer Terug
De onderhoudsfase is de periode van onderhoud of beheer vanaf het moment dat de beplanting is gesloten. De onderhoudsfase heeft in het verleden veel problemen opgeleverd. Die problemen werden niet alleen veroorzaakt door bezuinigingen, die er toe leidden dat er op grote schaal achterstallig onderhoud ontstond, maar ook was de vakkennis minimaal over de meest aanbevolen onderhoudsmethoden van ecologisch plantsoen. Gelukkig is dat manco al voor een deel ten goede gekeerd.
Onderhoud is eigenlijk geen goede term omdat het slechts betrekking heeft op een gedeelte van de beoogde doelstelling. Bij onderhoud gaat het er om de beplanting in een goede conditie te houden. Het meest karakteristiek voor het groene vak is, dat we met levend materiaal werken dat aan allerlei veranderingen onderhevig is. De planten groeien en door de natuur wordt er van alles aan toegevoegd: kruiden, vogels en insecten. De betekenis van de beplanting neemt dus toe.
Onderhoud komt dan neer op het begeleiden en stimuleren van natuurlijke processen. Dat is geen tijdelijke fase, maar een doorlopend proces. Ieder groeiseizoen verandert de beplanting en iedere keer opnieuw moet daar op worden gereageerd. De vraag is niet, hoe kan ik de natuur zo houden, maar hoe kan het ecologische kapitaal toenemen. Bij het onderhoud spelen de volgende beheeraspecten een belangrijke rol: snoeien, dunnen van de jonge aanplant, ontwikkeling kruidlaag, introductie kruiden en kruidenbeheer.
a. Volledig natuurlijke ontwikkeling -- Afgezien van dunningen mag de beplanting zich volledig natuurlijk ontwikkelen. Alleen in de randen langs wegen, paden en aangrenzende percelen moet de vegetatie binnen de perken worden gehouden. Als het alleen een kwestie is de vegetatie binnen zekere grenzen te houden, kan men volstaan met een maaibeheer. Als er voldoende ruimte is, hoeft dat beheer niet jaarlijks plaats te vinden, maar kan het om de 2 tot 5 jaar. De maaifrequentie hangt dan meer af van de ontwikkeling van de houtige soorten. Indien er situaties zijn ontstaan dat kruiden over het pad of over de weg gaan hangen of om andere verkeerstechnische redenen moeten de randen één of twee maal per jaar worden gemaaid.
b. Beperking opslag -- De kruidachtige vegetatie mag zich volledig natuurlijk ontwikkelen, maar spontane ontwikkeling van houtige soorten (opslag) wil men tegengaan. Dit speelt het meest in kleinere plantsoenen. In dat geval is het aan te bevelen om jaarlijks selectief of integraal uit te maaien of met de hand te verwijderen als de ruimte voor opslag beperkt is.
c. Netheidsbeeld -- De kruidachtige vegetatie kan tot ongenoegen leiden bij belangengroepen en niet beantwoorden aan hun netheidsbeeld. In dat geval is selectief of integraal uitmaaien aan te bevelen.
d. Storingssoorten -- De kruidachtige vegetatie mag zich grotendeels natuurlijk ontwikkelen, maar hoog opgroeiende storingssoorten zijn niet gewenst. Indien storingssoorten talrijk voorkomen, dan dienen ze uitgemaaid te worden. Indien ze in geringe mate voorkomen is eventueel wieden of uitsteken aan te bevelen. Als de beplanting voldoende gesloten blijft en de storingsfactoren uit de omgeving beperkt zijn, zullen alleen de randen van de beplanting voortdurend aandacht vragen.
--
Herkennen van bossen Terug
Als we op de Veluwe eikenbos met enkele berken zien, is de kans groot dat het een berken-eikenbos is en dat de bodem droog en arm is. Voor de Veluwe klopt dat min of meer. Omdat eiken en berken ook op veel andere bodemtypen groeien, bestaat er een redelijke kans dat het om een ander bostype gaat. Maar ook op de Veluwe is dat geen vanzelfsprekendheid. Wat we in een vluchtige blik als een berken-eikenbos herkennen, zou ook wel eens een beuken-eikenbos kunnen zijn. Door het vroegere beheer zijn de beuken verdwenen.
Slechts enkele houtige soorten zijn karakteristiek voor een bepaalde bodem. Bomen en struiken kunnen wel een eerste aanwijzing geven dat het om een bepaald bostype gaat, maar de bevestiging daarvan moet vaak worden gegeven door onder meer de strooisellaag, de kruidlaag en de aanwezigheid van klimplanten. Mossen en paddenstoelen zijn vaak zeer goede indicatoren, maar dat is specialistenwerk.
Als we wat meer kijk op bossen hebben dan weten we dat wilgenbossen langs de rivieren groeien en berken-eikenbossen op hoge, droge zandgronden, voornamelijk in het binnenland; dat het eiken-haagbeukenbos het beste ontwikkeld is in Zuid-Limburg en dat elzenbroekbossen op natte venige of zandige bodems voorkomen; vaak langs meren en beken.
Globaal is er dus al een onderscheid te maken. Maar dan blijven er nog veel voetangels en klemmen over. De soorten in de kruidlaag geven vaak het verlossende woord. Zo is het onderscheid tussen het abelen-iepenbos en het essen-iepenbos minimaal. Maar als gewone vogelmelk wordt aangetroffen en er indicaties zijn dat die er van nature voorkomt is de kans groot dat we met het abelen-iepenbos te maken hebben. Een dennenbos waar veel kraaihei groeit, behoort tot het kussentjesmos-dennenbos. En een eikenbos waar veel dalkruid groeit wordt tot het beuken-eikenbos gerekend, ook als beuk volledig ontbreekt. De soorten die karakteristiek zijn voor een bepaald type bos worden diagnostische soorten genoemd (dit zijn kensoorten en differentiërende soorten: kensoorten zijn specifiek voor een bepaald bostype, differentiërende soorten komen ook in andere bostypen voor). Deze diagnostische soorten kunnen echter ook ontbreken, maar dan kan het totale beeld ook een rol spelen. Dat is bijvoorbeeld het geval bij het jeneverbesstruweel. Doordat jeneverbes hier dominant voorkomt en volledig natuurlijk is, bestaat er geen misverstand over deze plantengemeenschap.
in de praktijk is een eerste globale herkenning van een bostype gebaseerd op dominantie van de houtige soorten, grondsoort, het globale beeld van de kruidlaag en de locatie.