script language="Javascript1.2">
Dennenbos\Naaldbossen
Naaldbossen zijn bossen en struwelen die door naaldhoutsoorten worden gedomineerd. Van nature komen deze bosgemeenschappen voor in tamelijk koude en droge gebieden en kunnen daar (voor Nederlandse begrippen) in zeer extreme milieus groeien. Vooral grote delen van noordelijk Europa zijn er volledig mee bedekt. In Nederland komen alleen pionierdennenbossen en jeneverbesstruwelen spontaan voor.
De Nederlandse naaldhoutbossen zijn weliswaar van zeer cultuurlijke oorsprong, maar hebben decennia lang een ontwikkeling doorgemaakt die deze bossen een eigen ecologisch karakter heeft gegeven waardoor ze tot de naaldhoutklasse kunnen worden gerekend.
 
Betekenis voor bijen
In bossen op de meest droge voedsel arme zandgronden of met een volledig vergraste onderbegroeiing komen weinig of geen nectar en stuifmeel planten voor die van betekenis zijn voor bijen.
Kenmerken dennenbos en naaldbossen
Bodem: droog tot vochtig. Voedselarm Zandige bodems, meestal leemarm; podzol, vaaggronden Zuur/kalkarm
Zeer zuur strooisel
* Houtige drachtplanten
Bomen: grove den, zomereik, ruwe berk, beuk, zachte berk.
Struiken: Amerikaanse vogelkers* (aanplanten wordt ontraden), Amerikaans krentenboompje*, hulst*, jeneverbes, wilde lijsterbes*, sporkehout*; verder ook braam*.
Linanen: wilde kamperfoelie*
Kruiden en dwerhstruiken - nectar en stuifmeelplanten: blauwe bosbes, rode bosbes en struikhei. Veder: rankende helmbloem, wilgenroosje, gewone dophei; aan de randen: grasklokje, kruipbrem, mannetjesereprijs, muizenoor, hondsviooltje, schermhavikskruid, stijf havikskruid; op kapvlakte vooral wilgenroosje en vingerhoedskruid. Langs paden en open plekken: mannetjesereprijs.
Geen bijenplanten: bochtige smele, bosdroogbloem (op open plekken), boskruiskruid, brede stekelvaren, duinriet, fijn schapegras, gewone eikvaren, gewoon struisgras, kraaiheide, pilzegge, reukgras, schapengras, smalle stekelvaren, zandstruisgras, zevenster; op vochtige bodem: dubbelloof, pijpenstrootje; aan de randen: gewone veldbies, liggend walstro, schapenzuring, zandzegge. Langs paden en open plekken: veelbloemige bies.
 
Milieu
De bodem is van nature voedselarm, droog (tot vochtig) en zuur (ca. pH4-5,0). Het grootste deel is aangeplant op standplaatsen van de arme beuken-eikenbossen. Voor de onderbegroeiing van aangeplant naaldhoutbos zijn de lichtinval en de bodemontwikkeling (humusvorming) de voornaamste factoren. Daardoor is het niet mogelijk op basis van de onderbegroeiing het verschil tussen aangeplante en natuurlijke naaldbossen te onderscheiden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen lichte (Pinus en Larix) en donkere (Abies, Pseudotsuga en Picea) naaldbossen. De strooisellaag van Larix is afwijkend van andere naaldbossen; naalden van Larix verteren slecht, maar bij storing door kap kan, door een versnelde mineralisatie, stikstof sterk oplopen, vaak ten gunste van bochtige smele.
Vooral in de eerste decennia na aanplant zijn deze bossen zo donker dat zelfs mossen er nauwelijks kunnen groeien; vooral onder sparrenbomen. Onder dennen en Larix kan het licht aanzienlijk beter doordringen, waardoor grassen, bosbes en kraaihei zich vaak tot bodembedekkende vegetaties kunnen ontwikkelen. Zonder actief beheer wordt het naaldhout meestal opgevolgd door loofhoutsoorten van de beuken-eikenbossen van de voedselarme bodems. De goed lichtdoorlaten dennenbos (met grove den) is de meest natuurlijke variant van het naaldbos.
Verschillende soorten dwergstruiken komen in de “kruidlaag” tot dominantie. Struikhei, kraaihei en vossenbes wijzen meestal op de voedselarme gedeelten van het bos. Bij blauwe bosbes is dat wisselend: een laagblijvende vegetatie (ca. lager dan 30 cm) hiervan wijst blauwe bosbes op leemarme bodems; vegetaties die duidelijk hoger zijn 40 tot 50 cm wijzen op lemige bodems. Op de laatste plekken kan bij natuurlijke ontwikkeling eiken-beukenbos ontstaan en in het zuiden en oosten van het land zelfs eiken-haagbeukbos. Op arme bodems, waar blauwe bosbes laag blijft, is meer kans op de ontwikkeling van een eiken-berkenbos.
Toepassing stedelijke gebied
Anders dan bij loofhoutbeplantingen zijn "natuurlijk" ogende naaldhoutbeplantingen op korte termijn niet of nauwelijks te realiseren. Een voor het publiek natuurlijk ogende stedelijke loofhoutbeplanting met hoge esthetische waarde is binnen een periode van 20-30 jaar haalbaar. Voor naaldhout zal dit aanzienlijk langer zijn. Verder is het de grote vraag of de karakteristieke vegetatie van naaldhoutbos in een stedelijk milieu onder invloed van allerlei storende invloeden tot stand komt of kan worden geïntroduceerd. Dat wil niet zeggen dat men met naaldhout niets kan beginnen.
Op geschikte bodems (bijvoorbeeld op plekken die voor parken zijn gereserveerd) zou bij een ruime plantafstand van de naaldbomen ook enkele kruidachtige soorten kunnen worden geïntroduceerd. Eikvaren, dubbelloof, pilzegge, mannetjesereprijs, hondsviooltje, grasklokje, muizenoor, smalle stekelvaren, brede stekelvaren, stijf havikskruid, schermhavikskruid, gewone veldbies. Eventueel in combinatie met een exotische heidetuin. Op de schralere en droge plekken die niet worden betreden, zullen dan ook korstmos gaan groeien. Op geschikte plekken aan stadsranden (uiteraard in streken met naaldhout) kunnen onder gunstige omstandigheden ook gemende bosbegroeiingen ontstaan. Ontwerpers kunnen hier op inspelen door pleksgewijs naaldhout te stimuleren.
Vuilboom is de voornaamste nectarproducerende plant. Op leemhoudend zand is naadhout te kombineren met brem en gaspeldoorn. Zie bij stuweel.
 
Foto's
Bosbessenbos -- Dit bosbessenbos valt onder het bostype kussentjesmos-dennenbos. Het is een productiebos van zeker meer dan 50 jaar oud. Er is een volledig doorzicht. Als je bosbessen plukt maakt dat niet uit. Bovendien moeten zulke plekken er ook zijn voor mensen die zich niet in een ondoorzichtig bos durven te wagen. Visueel gezien komt dit bos erg cultuurlijk over. (Ede 2001)
 
Natuurlijke verjonging -- Ongeveer het zelfde bostype als op de bovenstaande foto, maar het beeld ziet er totaal anders uit. Dit half natuurlijke bos zal bij de meeste voorbijgangers en recreanten natuurlijk overkomen. Doordat het ook op ooghoogte nog redelijk doorzichtig is, heeft het een hoge belevingswaarde. Er kunnen bovendien bosbessen worden geplukt. (Omgeving Gortel, Kroondomein, 2006)
 
Dennenbos op de hei -- Door bezoekers worden zulke dennenbossen hoog gewaardeerd. Zonder beheer zal zich op deze plek op korte termijn een gesloten dennenbos ontwikkelen. Op lange termijn zal er dan een berken-eikenbos ontstaan. Struikhei zal dan sterk verminderen. Voor de belevingswaarde moet een goede ballans tussen bos en hei in stand worden gehouden. (Planken Wambuis 1996)
 
Kapvlakte - Op kapvlakte ontstaan vaak uitgestrekte vegetaties met gewoon vingerhoedskruid. Wordt hier vooral door hommels bezocht
 
Rand kapvlakte