script language="Javascript1.2">
wilgenvloedbossen
Wilgenvloedbossen groeien op periodiek overstroomde, laaggelegen voedselrijke gronden van de uiterwaarden van de grote rivieren en in het zoetwatergetijdengebied dat karakteristiek is voor Zuidwest Nederland. Op sommige plaatsen, speciaal op rivierstrandjes, komt ook zwarte populier in deze bosgemeenschappen voor, ondermeer in de Millingerwaard. De ondergroei bestaat meestal uit ruigte, die soms bloemrijk kan zijn, maar ook vaak door grote brandnetel wordt gedomineerd vooral op minder natte plaatsen en op plaatsen waar de dynamiek van het water stopt.
l
 
Kenmerken wilgenvloedbossen
Bodem: nat tot zeer vochtig en periodiek overstroomd; voedselrijk-zeer voedselrijk; rivierklei, zavel, lemige tot zandige bodems en te zware zeeklei, kalkrijk, humusarm.
* Houtige drachtplanten
Bomen - Hoofdhoutsoorten: schietwilg* (in of meer als struiklaag amandelwilg of katwilg).
Begeleidende soorten: kraakwilg*, zwarte populier (soms gewone es en zwarte els).
Struiken:Amandelwilg*, bittere wilg*, grauwe wilg*, katwilg*. Op drogere plaatsen: eenstijlige meidoorn*, gewone vlier.
Lianen: Hop.
Kruidlaag - nectar en stuifmeelplanten: gewone hennepnetel, bitterzoet, gele lis, gewone smeerwortel, grote kattenstaart, haagwinde, harig wilgenroosje, kruipende boterbloem, reuzenbalsemien, waterpeper, wolfspoot.
Geen bijenplanten: grote brandnetel, kleefkruid, kluwenzuring, riet, rietgras, ruw beemdgras
 
Beeld met hoofdhoutsoort -- De hoofdhoutsoort van wilgenbos bestaat meestal uit schietwilg. Variatie in de ontwikkeling, mannelijke bomen met gele katjes, vrouwelijke bomen met groene katjes zorgen vooral in het voorjaar voor een grote visuele verscheidenheid. (Lek omgeving Culemborg 2006)
 
Bosgemeenschappen
Wilgenvloedbossen worden in drie bosgemeenschappen onder verdeeld. Ze verschillen vooral in de samenstelling van de kruidlaag. De hierboven genoemde kruiden hebben ze gemeenschappelijk.
Bijvoet-ooibos
Bodem: matig fijn tot matig grof kalkrijk en voedselrijk zand; de bodem droogt snel uit. Bomen: zwarte populier; wilgenbos met een lage open boom en/of struiklaag. Voorkomen: langs de rivieren in het midden van het land; onder meer langs de Waal op rivierstrandjes.
Nectar- en stuifmeelplanen: akkerdistel, boerenwormkruid, gele akkerkers, grote kattenstaart, grote weegbree, hondsdraf, kruldistel, look zonder look, perzikkruid, reukloze kamille, vijfvingerkruid, zilverschoon, zwarte mosterd, watermunt .
Geen bijen planten: bijvoet, fioringras, kweek, kropaar, ridderzuring, rietzwenkgras, veerdelig tandzaad, watermuur en wilde bertram.
 
Bijvoet-ooibos -- Het rivierstrand van de Millingerwaard is één van de meest karakteristieke plekken voor het bijvoet-ooibos. (Millingerwaard 2006)
 
 
Lissen-ooibos
Bodem: gewoonlijk kleiige bodems en ophoping van organische stof in de bovengrond; op laaggelegen plekken in de uiterwaarden zoals kommen, afgesloten rivierarmen en kleiputten. Voorkomen: In hoofdzaak in het rivierengebied van het Rijnsysteem (Rijn, Waal, IJssel)
Nectar- en stuifmeelplanten: grote wederik, hondsdraf, moerasandoorn, moeraskruiskruid, moerasspirea, moerasvergeet-mij-nietje, poelruit, penningkruid en watermunt. -- Geen bijenplanten: blauw glidkruid, fioringras, moeraswalstro, scherpe zegge en liesgras.
 
Lissen-ooibos --Karakteristiek voor dit bostype is gele lis; met soorten als grote kattenstaart en gewone engelwortel vertoont het trekjes van elzenbroekbos. (Rhoon 2006)
 
 
Veldkers-ooibos
Milieu: in het zoetwatergetijdengebied met een sterke dagelijkse waterstandwisseling. Voorkomen: in Zuidwest Nederland, onder andere in en bij de Biesbosch en Rhoonse Grienden. Bomen: Duitse dot.
Nectar- en bijenplanten: echte valeriaan, fluitenkruid, gewone berenklauw, gewone engelwortel, groot springzaad, grote engelwortel, hondsdraf, moerasstreepzaad, moerasvergeet-mij-nietje, speenkruid, spindotterbloem, zomerklokje. -- Geen bijenplanten: bittere veldkers, ridderzuring.
 
Veldkers-ooibos met spindotterbloem in getijdengebied -- Dit is geen ooiwilgenbos, maar wel een aspect daarvan. Hier is eb en vloed nog duidelijk actief. Het is een potentiële plek voor een oeverbos waarin wilgen kunnen voorkomen. Spindotterbloem is karakteristiek voor het veldkers-wilgenbos. (Gouda, Hollandse IJssel 1992)
 
 
Afgezet griend -- Grienden zijn in het bijzonder van belang voor mossen. Daarom moeten ze regelmatig worden gesnoeid, dat wil zeggen als griend worden beheerd. (Rhenoy, Linge)
 
Een voormalig griend als park geintergreerd in een woonwijk (Nieuwegein)
 
Wilgen voor bijen kunnen worden gecombineerd met andere functies zoals waterretentie, recreatie, educatie en biodiversiteit.